Inbreng van een onroerend goed in een vennootschap en schenking van de aandelen

Voorafgaande beslissing nr. 20071 dd. 18.12.2020

Art 2.8.4.1.1, 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

1.1. de voorgenomen schenking onderworpen is aan het tarief van de schenkbelasting voor roerende goederen (vlak tarief van 3% - artikel 2.8.4.1.1, §2, 1°, VCF), en aldus niet onderworpen zal worden aan het (algemene) tarief van de schenkbelasting van onroerende goederen zoals opgenomen in artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF;

1.2. de voorgenomen schenking, rekening houdend met het geheel van verrichtingen, geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door mevrouw […], te […], namens:

de heer X, geboren te […] op xx.xx.1938, rijksregisternummer […], weduwnaar van mevrouw Y, wonende te […].

3. De betrokken partij is:

De heer A, geboren te […] op xx.xx.1970, rijksregisternummer […], ongehuwd, wonende te […].

4. De betrokken vennootschap is:

de besloten vennootschap "C", met maatschappelijke zetel te […], BTW […].

5. Het betrokken onroerend goed betreft:

Een industriegebouw gelegen te […].

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

6. De feitensituatie doet zich voor als volgt.

De heer X en mevrouw Y zijn in 1964 gehuwd onder het stelsel der algehele - en algemene gemeenschap blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1964. De heer en mevrouw X-Y hebben twee kinderen: de heer A en mevrouw B.

In 1996 kopen de echtgenoten X-Y een nijverheidsgebouw te […]. Mevrouw Y komt te overlijden op xx.xx.2017, en ingevolge de bepalingen van het huwelijkscontract en gifte tussen echtgenoten is de ganse gemeenschap toegekomen aan de heer X.

Op xx.xx.2019 hebben de heer X en zijn zoon A de besloten vennootschap C opgericht, waarbij de heer X het industriegebouw te […], vermeld onder punt 5, heeft ingebracht in de vennootschap in ruil voor 877 aandelen. Aan de heer A werd 1 aandeel toegekend in ruil voor zijn inbreng in geld.

7. De heer X wenst thans, gelet op zijn gevorderde leeftijd, zijn aandelen in de vennootschap C over te dragen aan zijn zoon A gezien het feit dat enkel A actief is in het bedrijf Z, waarvan A aandeelhouder en bestuurder is. Dochter B heeft geen interesse in het bedrijf. In dat kader heeft de heer X ingevolge notariële akte van xx.xx.2020 een roerende schenking gedaan aan zijn dochter.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

8. De heren […] wensten reeds vroeger over te gaan tot de oprichting van de vennootschap, doch kon het onroerend goed slechts worden ingebracht in de nieuwe vennootschap nadat OVAM zich had uitgesproken inzake de historische bodemverontreiniging. Immers, de gronden en gebouwen werden aangekocht in 1996 van een verffabriek, waarbij na een controleonderzoek van OVAM in 2002 een historische verontreiniging met BTEX (vluchtige organische verbindingen) aan het licht kwam. In de daaropvolgende jaren werden verschillende boringen uitgevoerd. Het is pas na een vrijwillig uitgevoerd beschrijvend bodemonderzoek van xx.xx.2018 dat de deskundige besloot dat er geen ernstige bedreiging of milieuschade werd vastgesteld en dat er geen bodemsanering noodzakelijk was. Deze redenering werd gevolgd door OVAM en aangetekend bezorgd op xx.xx.2019. De heer X kon technisch gezien niet vroeger dan deze datum stappen zetten voor de verdeling van (dit deel van) zijn vermogen.

9. Krachtens het schattingsverslag van het onroerend goed, opgemaakt door beëdigd landmeter-expert […] op xx.xx.2017, naar aanleiding van het overlijden van de echtgenote van de Heer X, voldoen de gebouwen niet meer aan de hedendaagse eisen van een bedrijfsgebouw en geeft de site geen verzorgde indruk. Inderdaad, omwille van de jarenlange onzekerheid inzake de bodemverontreiniging heeft de eigenaar nagelaten verder noodzakelijke investeringen uit te voeren. De huurder, de besloten vennootschap Z, BE[…], wenste logischerwijze deze investeringen niet zelf te dragen. Indien het onroerend echter terecht komt in dezelfde handen als de uitbating, kan terug dringend werk gemaakt worden van een adequaat investeringsplan. Zo kan de continuïteit van de bedrijfsvoering worden gewaarborgd.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

10. Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.“.

11. Er moet worden onderzocht of het daadwerkelijk de bedoeling is van de inbrenger/schenker om het in te brengen onroerend goed te onderwerpen aan het ondernemingsrisico (affectio societatis) en het niet de bedoeling is het onroerend goed te schenken aan de begunstigde van de aandelen.

12. De inbreng van het industriegebouw in de vennootschap C op xx.xx.2019, thans gevolgd door de voorgenomen schenking, verschaft onmiskenbaar een fiscaal voordeel voor de heer A aangezien de aandelen kunnen geschonken worden aan het gunstige vlak tarief van 3% voor schenkingen van roerende goederen in rechte lijn (of zelfs aan de vrijstelling indien het de schenking van aandelen van een familiale vennootschap betreft). Dit in tegenstelling tot een schenking van het onroerend goed zelf die onderworpen zal worden aan de progressieve tarieven van tabel I van artikel 2.8.4.1.1, §1, VCF.

13. Het besluitvormingsorgaan is van oordeel dat de inbreng van het onroerend goed in de BV C door de heer X, binnen korte termijn gevolgd door een schenking van de aandelen van de BV C aan de zoon, de heer A fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien ze samen beschouwd art. 2.8.4.1.1, §1, VCF frustreren.

14. De inbreng van het onroerend goed gevolgd door de voorgenomen verrichting is ingegeven zonder een wezenlijke andere verklaring dan belastingbesparing.

Het ingebrachte onroerend goed werd voor de inbreng door de heer X verhuurd aan de BV Z waarin zijn zoon, de heer A bedrijfsactief is. Deze laatste wil eigenaar worden van het betrokken onroerend goed om de nodige investeringen te kunnen uitvoeren. Deze eigendomsoverdracht kan verwezenlijkt worden door de schenking van het betrokken onroerend goed. De aanvrager verkiest evenwel het betrokken onroerend goed in te brengen in een vennootschap en dit kort voor de schenking van de aandelen van deze vennootschap. De chronologie van de verrichtingen kon evengoed omgedraaid worden. D.i. eerst een schenking van het onroerend goed door de heer X aan zijn zoon A waarna het onroerend goed wordt ingebracht in de vennootschap.

Bovendien ontbreekt in hoofde van de aanvrager de intentie om het betrokken onroerend goed aan het ondernemingsrisico te onderwerpen.

In de aanvraag wordt namelijk verwezen naar de vergevorderde leeftijd van de heer X en zijn voornemen om stappen te zetten voor de verdeling van zijn vermogen.

15. Het voorgelegde niet-fiscale motief, zijnde de continuïteit van de bedrijfsvoering, kan de voorgenomen verrichting niet verantwoorden.

 

Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

--------------

- publicatie op 12.02.2021