Aanpassing statuten maatschap, bijkomende inbreng van aandelen in maatschap en schenking van aandelen

Voorafgaande beslissing nr. 20069 dd. 23.11.2020

Artt. 2.7.1.0.3; 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers menen dat er op heden, voor het stellen van de voorgenomen verrichtingen, geen erfbelasting verschuldigd is op basis van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2. VCF, op de waarde van de aandelen van de Maatschap bij het overlijden van de heer X of mevrouw Y.

2. De aanvraag strekt ertoe te bevestigen dat er ook na de voorgenomen verrichtingen (cf. infra) alleszins geen erfbelasting zal verschuldigd zijn op basis van artikel 2.7.1.0.3., 3° VCF al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2. VCF, op de waarde van de aandelen van de Maatschap bij het overlijden van de heer X of mevrouw Y.

3. Tot slot zullen de heer en mevrouw X-Y een bijkomend aantal aandelen van Vennootschap inbrengen in de Maatschap. Zij zullen deze aandelen vervolgens in blote eigendom schenken aan hun kinderen, alsook aan hun twee kleinkinderen.

4. De aanvragers zijn van mening dat deze schenking niet kan worden beschouwd als een schenking onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker(s), al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF en vragen dit te willen bevestigen.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

5. De aanvraag wordt ingediend door […] namens de heer X, NN […], en mevrouw Y, NN […], samen wonende te […]. Zij zijn gehuwd onder het Nederlandse wettelijk stelsel van de algehele gemeenschap bij gebreke aan huwelijkscontract.

6. De heer X en mevrouw Y hebben samen twee meerderjarige kinderen, te weten:

  • Mevrouw A, NN […], wonende te […], […];
  • de heer B, NN […], wonende te […].

7. Mevrouw A heeft twee minderjarige kinderen, te weten:

  • Juffrouw […], wonende te […];
  • Juffrouw […], wonende te […].

8. Zowel de heer X en mevrouw Y als hun kinderen en kleinkinderen zijn allen reeds meer dan vijf jaar inwoner van het Vlaamse Gewest.

9. De overige betrokken partijen zijn:

  • Maatschap […], vroeger gekend onder de naam […], met zetel te […] en met ondernemingsnummer […], opgericht bij onderhandse akte van xx.xx.2014 (hierna de “Maatschap”);
  • Besloten Vennootschap […], met zetel te […], ondernemingsnummer […] (hierna de “Vennootschap”).

II. B. Beschrijving van de voorgaande verrichtingen en de voorgenomen verrichting(en)

a) Beschrijving van de feiten en de voorgaande verrichtingen

1.1. Oprichting Maatschap

10. Bij onderhandse akte van xx.xx.2014 hebben de heer en mevrouw X-Y de Maatschap opgericht. Bij de oprichting heeft de heer X 236.681 aandelen van de Vennootschap in volle eigendom ingebracht in de Maatschap. Mevrouw Y heeft 1 aandeel van de Vennootschap ingebracht in de Maatschap. In ruil werden aan de heer X en mevrouw Y 236.682 aandelen van de Maatschap in volle eigendom uitgereikt.

11. Onderstaand vindt u een toelichting bij de belangrijkste bepalingen van de statuten van de Maatschap. 

1.2. Duur

12. De Maatschap werd aangegaan voor een bepaalde duur van 40 jaar. De voortijdige ontbinding van de Maatschap is enkel mogelijk mits een uitdrukkelijke en unanieme beslissing van alle vennoten, goed te keuren door de zaakvoerder. Voortzetting van de Maatschap is mogelijk mits uitdrukkelijke en unanieme beslissing van de op dat moment overblijvende vennoten.

13. Voor de volledigheid wordt vermeld dat de heer X de Maatschap te allen tijde kan ontbinden.

1.3. Bestuur van de Maatschap

14. De Maatschap wordt bestuurd door een zaakvoerder of college van zaakvoerders. De bevoegdheden van de zaakvoerder werden als volgt omschreven (artikel 8.2 van de statuten):

            “2. Omschrijving van het mandaat.

Onverminderd de bevoegdheden van de algemene vergadering wordt aan de zaakvoerder de meest ruime bevoegdheid gegeven met betrekking tot het bestuur en beheer en de interne en externe vertegenwoordiging van de maatschap.

De zaakvoerder is bevoegd om alle handelingen te verrichten die nodig of dienstig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de maatschap, voor de duur van zijn leven.”

15. De heer X werd aangesteld als enig zaakvoerder van de Maatschap voor de duur van zijn leven. De heer X wordt opgevolgd door een college van zaakvoerders bestaande uit zijn echtgenote, mevrouw Y, en zijn zoon, de heer B. Indien één van deze partijen niet meer kan optreden als zaakvoerder wordt hij/zij vervangen door de dochter/zus, mevrouw A.

16. Het college van zaakvoerders, dat na het defungeren van de heer X wordt gevormd, wordt bijgestaan door een raad van advies bestaande uit:

  • Mevrouw A, met dien verstande dat zij geen deel meer uitmaakt van de raad van advies van zodra zij toetreedt tot het college van zaakvoerders;
  • drie leden, die niet behoren tot de familie X-Y.

17. Zolang de heer X fungeert als zaakvoerder van de Maatschap neemt hij alle beslissingen alleen.

18. Daarna worden beslissingen van het college van zaakvoerders genomen met een gewone meerderheid van stemmen (met uitzondering van de wezenlijke beslissingen). Bij staking van stemmen in het college van zaakvoerders heeft de raad van advies, beslissend met een gewone meerderheid, een doorslaggevende stem. Voor wezenlijke beslissingen wordt een onderscheid gemaakt tussen twee situaties:

  • De situatie tot wanneer dat de jongste vennoot-natuurlijke persoon de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt. Tot op dat ogenblik worden wezenlijke beslissingen genomen met unanimiteit in een voltallig college van zaakvoerders, goed te keuren door de raad van advies. De raad van advies beslist bij gewone meerderheid van stemmen, met dien verstande dat mevrouw A een doorslaggevende stem heeft bij staking van stemmen.
  • De situatie vanaf wanneer de jongste vennoot-natuurlijke persoon de leeftijd van 35 jaar heeft bereikt. Vanaf dat ogenblik is enkel unanimiteit vereist in een voltallig college van zaakvoerders. De raad van advies beschikt dan wel nog steeds over een doorslaggevende stem, te weten bij staking van stemmen. De raad van advies beslist bij gewone meerderheid van stemmen, met dien verstande dat mevrouw A een doorslaggevende stem heeft bij staking van stemmen.

19. Wezenlijke beslissingen worden omschreven in artikel 8.5.e-g van de statuten van de Maatschap, als bijlage (bijlage 1).

1.4. Algemene vergadering

20. Op de algemene vergadering van de Maatschap worden beslissingen genomen met een gewone meerderheid van stemmen (behoudens afwijkende bepalingen), waarbij elk aandeel recht geeft op één stem. Het stemrecht op aandelen bezwaard met een recht van vruchtgebruik komt toe aan de vruchtgebruiker (behoudens afwijkende bepalingen).

21. Beslissingen tot bestemming van het resultaat worden genomen met volgende specifieke meerderheden (artikel 17,c van de statuten):

  • Beslissingen tot uitkering van 50% van de opbrengsten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. De uitkering van de overige 50% van de opbrengsten en eerder gereserveerde opbrengsten gebeurt met een gewone meerderheid, goed te keuren door de zaakvoerder. Van zodra de jongste vennoot 35 jaar heeft bereikt, wordt beslist met een gewone meerderheid van stemmen.
  • Een beslissing tot reservering wordt geacht te zijn genomen van zodra niet tot uitkering of incorporatie wordt beslist.
  • Een beslissing tot incorporatie wordt genomen met unanimiteit.

22. Belangrijke beslissingen worden genomen met unanimiteit van stemmen, goed te keuren door de zaakvoerder. Het stemrecht komt toe aan de vruchtgebruiker en de blote eigenaar samen (behoudens bij een beslissing tot vervroegde ontbinding, waarbij het stemrecht aan de vruchtgebruiker toekomt). Bij gebrek aan akkoord tussen vruchtgebruiker en blote eigenaar wordt de stem geacht negatief te zijn. Het gaat om volgende belangrijke beslissingen:

  • Beslissingen houdende statutenwijzigingen;
  • Beslissingen houdende de overdracht aan een gelijkaardige structuur;
  • Beslissingen houdende de zekerheidsstelling van het vermogen;
  • Afwijkingen van het beleggingsprofiel;
  • Vroegtijdige ontbinding.

2. Schenking aandelen Maatschap

23. Bij akte van xx.xx.2014 hebben de heer X en mevrouw Y 236.680 aandelen van de Maatschap in onverdeeldheid en in blote eigendom geschonken aan mevrouw A en de heer B. Voor de volledigheid wordt vermeld dat deze schenkingsakte ter registratie werd aangeboden met toepassing van de vrijstelling voor de schenking van aandelen van familiale vennootschappen (toenmalig artikel 140 bis Vl. W. Reg).

24. De akte houdende schenking (bijlage 2) voorzag onder andere volgende voorwaarden, modaliteiten en lasten:

  • De schenking gebeurde in blote eigendom. De blote eigendom van de geschonken aandelen werd onmiddellijk overgedragen aan de kinderen. De schenkers hebben zich enkel het vruchtgebruik voorbehouden;
  • Een beding van fideïcommis de residuo, dat bepaalt dat hetgeen overblijft bij het overlijden van een begiftigde zonder afstammelingen, toekomt aan de andere begiftigde;
  • Een beding van optionele conventionele terugkeer, dat bepaalt dat de schenking wordt ontbonden bij een overlijden van een begiftigde met kinderen, doch enkel voor zover de schenker zich er op beroept;
  • Een uitsluitingsclausule, die bepaalt dat de geschonken goederen niet kunnen worden ingebracht in een huwelijksvermogen;
  • Een ontbindende voorwaarde, die bepaalt dat de schenkers de ontbinding van de schenking kunnen vragen bij het zich voordoen van bepaalde ernstige gedragingen van de begiftigde. 

25. Bij akte dd. xx.xx.2016 hebben de schenkers afstand gedaan van de last inzake minimumrente en de last om het vruchtgebruik op de aandelen van de maatschap aan de langstlevende te laten (bijlage 3).

b) Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen

1. Aanpassing statuten Maatschap

26. De familie X-Y wenst vooreerst de statuten van de Maatschap in lijn te brengen met de bepalingen en terminologie van het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV), dat in werking getreden is op 1 mei 2019.

27. Daarnaast werd een update van de statuten uitgewerkt, rekening houdend met de volgende krachtlijnen:

  • De bevoegdheden van de zaakvoerder worden afgezwakt;
  • De beslissingsbevoegdheid voor belangrijke beslissingen (inclusief daden van beschikking) verschuift naar de algemene vergadering;
  • De functie van de raad van advies wordt uitgebreid.

28. Daarom worden volgende aanpassingen aangebracht aan de statuten van de Maatschap. U vindt de ontwerpstatuten als bijlage bij deze aanvraag (bijlage 4).

1.1. Bestuur van de Maatschap

29. De Maatschap wordt bestuurd door de zaakvoerder of het college van zaakvoerders. De zaakvoerder is met uitsluiting van de vennoten bevoegd om daden van beheer te stellen en vertegenwoordigingshandelingen te stellen met betrekking tot het in de Maatschap ingebrachte vermogen. Volgende daden worden beschouwd als daden van beheer (niet-exhaustief):

  • het beleggen en herbeleggen van de door de Maatschap op rekening of in het kader van een beleggingsportefeuille aangehouden activa (dewelke hierbij uitdrukkelijk als een feitelijke algemeenheid worden aangemerkt) en het voeren van alle communicatie ter zake met de bank of vermogensbeheerder. In dit kader wordt bepaald dat de zaakvoerder bevoegd is om de activa over te brengen naar een andere bank of vermogensbeheerder en dat de zaakvoerder het beleggingsprofiel autonoom kan aanpassen;
  • de zaakvoerder kan enkel het stemrecht uitoefenen op de gewone algemene vergadering van een vennootschap waarvan de Maatschap aandelen aanhoudt. De beslissingsbevoegdheid met betrekking tot buitengewone of bijzondere algemene vergaderingen komt niet toe aan de zaakvoerder;
  • het innen van interesten, opbrengsten en vruchten met betrekking tot het door de Maatschap aangehouden vermogen;
  • het doorstorten van activa van de Maatschap, wanneer tot uitkering werd beslist door de algemene vergadering;
  • het vervullen van alle louter administratieve verplichtingen die gepaard gaan met de Maatschap en het door de Maatschap aangehouden vermogen.

30. Daden van beschikking worden uitdrukkelijk toegewezen aan de buitengewone algemene vergadering van de Maatschap (cf. infra) met dien verstande dat de zaakvoerder wel vertegenwoordigingshandelingen kan stellen met betrekking tot daden van beschikking waartoe de algemene vergadering heeft beslist.

31. De samenstelling van het bestuur van de Maatschap werd niet aangepast. De heer X blijft aangesteld als enige zaakvoerder van de Maatschap voor de duur van zijn leven. Ook het opvolgend zaakvoerderschap wordt niet gewijzigd. De heer X wordt opgevolgd door een college van zaakvoerders bestaande uit mevrouw Y en de heer B. Indien één van deze partijen niet meer kan optreden als zaakvoerder wordt hij/zij vervangen door mevrouw A.

32. Het college van zaakvoerders, dat na het defungeren van de heer X wordt gevormd, wordt bijgestaan door een raad van advies bestaande uit:

  • mevrouw A, met dien verstande dat zij geen deel meer uitmaakt van de raad van advies van zodra zij toetreedt tot het college van zaakvoerders;
  • drie leden, die niet behoren tot de familie X-Y.

33. Zolang de heer X fungeert als zaakvoerder van de Maatschap neemt hij alle beslissingen alleen.

34. Beslissingen van het college van zaakvoerders worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen in het college van zaakvoerders heeft de raad van advies een doorslaggevende stem, beslissend met een gewone meerderheid.

1.2. Algemene vergadering van de Maatschap

  • Gewone algemene vergadering

35. Jaarlijks wordt een gewone algemene vergadering georganiseerd, die bevoegd is voor de goedkeuring van de jaarrekening en de bestemming van het resultaat van de Maatschap. Beslissingen worden genomen met een gewone meerderheid van stemmen.

36. De specifieke meerderheden voor de bestemming van het resultaat bleven behouden. 

  • Buitengewone algemene vergadering 

37. Daden van beschikking behoren voortaan tot de bevoegdheid van de buitengewone algemene vergadering van de Maatschap. Volgende beslissingen worden toegewezen aan de buitengewone algemene vergadering:

- Beslissingen aangaande de Maatschap zelf, zijnde onder meer de beslissingen tot goedkeuring met als voorwerp:

  • de beslissing tot voortijdige ontbinding;
  • de beslissing tot overdracht van aandelen onder levenden aan een derde;
  • de beslissing tot wijziging van Statuten van de Maatschap;
  • de beslissing tot de overdracht van activa of tot omzetting van de Maatschap;
  • de beslissing over de uitreding of de uitsluiting van een vennoot;

- Wezenlijke beslissingen aangaande de aandelen van een niet-beursgenoteerde vennootschap die de Maatschap aanhoudt, zijn beslissingen aangaande deze aandelen met als voorwerp:

  • de beslissing tot een uitkering van meer dan vijftig procent (50%) van de jaarwinst van deze vennootschap na aftrek van de kosten, zoals ten gevolge van een beslissing tot dividenduitkering; een beslissing tot kapitaalvermindering (door een beslissing tot kapitaalvermindering, liquidatie, inkoop van eigen aandelen of terugbetaling van kapitaal);
  • de stemming tot benoeming of ontslag van een (al dan niet statutaire) zaakvoerder of lid van de Raad van Bestuur in de vennootschap; tenzij het ontslag of de benoeming ertoe leidt dat de samenstelling van het college van zaakvoerders of van de Raad van Bestuur hetzelfde is als de samenstelling van het college van zaakvoerders van de Maatschap;
  • de liquidatie of vroegtijdige ontbinding van de vennootschap;
  • de stemming tot wijziging van de statuten van de vennootschap;
  • de stemming tot uitoefening van het vetorecht door de algemene vergadering van de vennootschap voor zover een dergelijk vetorecht voorzien is en/of wordt ingesteld;
  • de stemming tot overdracht (door verkoop of anderszins) van de aandelen van de vennootschap;
  • het uitoefenen van het stemrecht verbonden aan aandelen die door de Maatschap worden aangehouden, indien het gaat om buitengewone en bijzondere algemene vergaderingen van de vennootschap waarvan de Maatschap de aandelen aanhoudt.

- Indien er redelijke twijfel bestaat over de kwalificatie van bepaalde daden als daad van beheer dan wel als daad van beschikking, dan dienen deze daden als daad van beschikking te worden aangemerkt.

38. Beslissingen worden genomen met unanimiteit van de deelgerechtigde stemmen, met dien verstande dat deze beslissingen worden onderworpen aan de goedkeuring van de raad van advies van zodra de heer X niet meer functioneert als zaakvoerder van de Maatschap.

  • Stemrecht op de algemene vergadering

39. Elk aandeel geeft recht op één stem. Indien aandelen bezwaard zijn met een recht van vruchtgebruik wordt volgend onderscheid gemaakt:

  • De vruchtgebruiker oefent het stemrecht uit op de gewone algemene vergadering;
  • De vruchtgebruiker en de blote eigenaar oefenen samen het stemrecht uit op de buitengewone algemene vergadering. Bij gebrek aan overeenstemming wordt de stem geacht negatief te zijn.

40. Concreet impliceert dit dat zolang de aandelen van de Maatschap bezwaard zijn met een recht van vruchtgebruik, de heer X de stemrechten op de gewone algemene vergadering zal uitoefenen. Op de buitengewone algemene vergadering wordt het stemrecht uitgeoefend door de heer X en de kinderen samen. Bij gebrek aan overeenstemming wordt de stem geacht negatief te zijn.

2. Bijkomende inbreng in de Maatschap en schenking van aandelen MAATSCHAP

41. De heer X en mevrouw Y overwegen in het kader van hun verdere vermogens- en successieplanning een bijkomende inbreng te doen van aandelen van de vennootschap in de Maatschap.

42. Vervolgens zouden de aandelen van de Maatschap, die zij in ruil krijgen, worden geschonken aan hun twee kinderen en twee kleinkinderen.

43. Op xx.xx.2020 werd een aanvraag ingediend voor het verkrijgen van een voorafgaand attest met betrekking tot de vrijstelling van schenkbelasting voor voormelde schenking.

44. De schenking zal betrekking hebben op de blote eigendom van aandelen van de Maatschap. Het precieze aantal aandelen evenals de precieze modaliteiten voorwaarden en lasten moeten nog worden bepaald, zij het dat de voorwaarden, modaliteiten en lasten gelijkaardig zullen zijn aan deze die werden verbonden aan de schenking aan de kinderen, verleden op xx.xx.2014.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

1. Vraagstelling: Is artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF van toepassing, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2. VCF, na het stellen van de voorgenomen verrichtingen?

1.1. Toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

45. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bepaalt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

3°alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

…”

46. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF viseert schenkingen die gebeuren onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker. Dergelijke schenking wordt geacht te zijn verkregen als legaat door de begiftigde en belast met erfbelasting.

47. Wanneer een verbintenis wordt aangegaan onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn, wordt aangenomen dat de verbintenis onmiddellijk tot stand komt, maar dat de uitvoering ervan wordt uitgesteld tot aan het vervullen van de voorwaarde of tot bij het verlopen van de termijn. Toegepast op een schenking heeft een opschortende voorwaarde tot gevolg dat de eigendom van de geschonken goederen pas overgaat naar de begiftigden bij het in vervulling gaan van de voorwaarde of bij het verstrijken van de termijn. Is de voorwaarde of de termijn verbonden aan het overlijden van de schenker, dan gaat de eigendom van de geschonken goederen pas over bij het overlijden van de schenker. Gaat de eigendom onmiddellijk over naar de begiftigden, dan is er geen sprake van een opschortende voorwaarde.

48. Concreet hebben de heer X en mevrouw Y op xx.xx.2014 een schenking gedaan van de blote eigendom van 236.680 aandelen van de Maatschap aan hun twee kinderen. Artikel 2 van de schenkingsakte bepaalt het volgende:

“Artikel 2: Eigendomsoverdracht en ingenottreding

De blote eigendom van de aandelen die het voorwerp uitmaakt van huidige schenking wordt onmiddellijk overgedragen aan de Begiftigden, die uitdrukkelijk verklaren deze te aanvaarden onder de hierna vermelde cumulatieve modaliteiten, voorwaarden en lasten.

       …”

49. De blote eigendom van de aandelen werd dan ook onmiddellijk overgedragen door de schenkers aan de begiftigden. De blote eigendom is op dat moment onmiddellijk uit het vermogen van de schenkers verdwenen.

50. Dit kan eveneens worden geïllustreerd aan de hand van volgende situatie: indien de begiftigden (samen met de schenkers) zouden beslissen om over te gaan tot een verkoop van de aandelen van de Maatschap (of van de Vennootschap na ontbinding van de Maatschap), dan komt de prijs, die wordt verkregen, in principe toe aan de blote eigenaars (weliswaar belast met een vruchtgebruik ten voordele van de schenkers). Mocht er daarentegen sprake zijn van een schenking met een opschortende voorwaarde of termijn, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenkers, dan zou de geldsom bij verkoop nog steeds toekomen aan de schenkers, zolang zij leven. Pas bij hun overlijden zou de geldsom overgaan naar de begiftigden.

51. Dat deze schenking betrekking had op aandelen van een Maatschap, waarbij het beheer van de ingebrachte goederen wordt waargenomen door de zaakvoerder (schenker) en waarbij de begiftigden slechts na een bepaalde termijn aanspraak kunnen maken op het ingebrachte vermogen doet geen afbreuk aan het feit dat de begiftigden onmiddellijk (blote) eigenaar zijn geworden van het geschonken vermogen.

52. Bovendien is in casu de duurtijd van de maatschap niet gekoppeld aan het overlijden van de schenkers of de langstlevende van hen.

53. De schenking valt dan ook niet binnen het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, zodat geen erfbelasting verschuldigd is bij het overlijden van de schenker(s).

1.2. In combinatie met artikel 3.17.0.0.2. VCF

54. Artikel 3.17.0.0.2 VCF viseert fiscaal misbruik. Er is o.a. sprake van fiscaal misbruik wanneer een belastingplichtige een rechtshandeling of een geheel van rechtshandelingen stelt waarmee hij zich, in strijd met de doelstellingen van een fiscale bepaling, buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst.

55. Uit voorafgaande beslissing 16046 van 14 november 2016 blijkt dat de Vlaamse Belastingdienst meent dat met de voorafgaande oprichting van een maatschap waarna een schenking volgt het enkel de bedoeling is de volledige controle over het vermogen van de Maatschap te behouden en dat hiermee wordt geprobeerd om de toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF te omzeilen aangezien de rechtsgevolgen van de vooropgestelde constructie identiek zijn aan deze van schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker. Volgens de Vlaamse Belastingdienst is er in dat geval sprake van fiscaal misbruik, zodat de verrichting moet worden belast met erfbelasting, bij het overlijden van de schenker.

56. Zoals aangegeven, werd de schenking in het voorliggende geval niet gedaan onder een opschortende voorwaarde of opschortende termijn van het overlijden van de schenkers.

57. Op het ogenblik van de schenking is de (blote) eigendom van de geschonken aandelen onmiddellijk en onherroepelijk uit het vermogen van de schenkers verdwenen. Dit blijkt onder andere uit artikel 2 van de schenkingsakte (bijlage 2) waar te lezen staat:

“Artikel 2: Eigendomsoverdracht en ingenottreding

De blote eigendom van de aandelen die het voorwerp uitmaakt van huidige schenking wordt onmiddellijk overgedragen aan de Begiftigden, die uitdrukkelijk verklaren deze te aanvaarden onder de hierna vermelde cumulatieve modaliteiten, voorwaarden en lasten.

…”

58. Het gegeven dat de aandelen van de Vennootschap voorafgaand aan de schenking werden ingebracht in de Maatschap verandert niets aan deze onmiddellijke overgang. De schenkers hebben zich onherroepelijk verarmd ten voordele van de begiftigden.

59. Zoals aangegeven, kan dit worden geïllustreerd aan de hand van het voorbeeld waarbij een verkoop zou plaatsvinden. Indien de begiftigden (samen met de schenkers) zouden beslissen om over te gaan tot een verkoop van de aandelen van de Maatschap (of van de Vennootschap na ontbinding van de Maatschap), dan komt de prijs, die wordt verkregen, in principe toe aan de blote eigenaars (weliswaar belast met een vruchtgebruik ten voordele van de schenkers). Als een schenking met een opschortende voorwaarde of termijn zou voorliggen, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenkers, dan zou de geldsom bij verkoop nog steeds toekomen aan de schenkers, zolang zij leven. Pas bij hun overlijden zou de geldsom overgaan naar de begiftigden.

60. Ook de duurtijd van de maatschap was (in de oorspronkelijke statuten) en is (in de aangepaste versie van de statuten die voorligt) niet gekoppeld aan de levensduur van de schenkers, welke opnieuw een bevestiging is dat in deze op geen enkele wijze sprake kan zijn van een schenking onder opschortende voorwaarde of termijn van het overlijden van de schenkers.

61. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de huidige voorliggende situatie fundamenteel verschilt van een schenking onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn, die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, zodat de verrichtingen de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3°, niet frustreren en bijgevolg geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik.

62. Bovendien kan de algemene antimisbruikbepaling geen toepassing vinden wanneer reeds een specifieke antimisbruikbepaling bestaat om bepaalde misbruiken tegen te gaan. Dit werd bevestigd door het Grondwettelijk Hof in haar arrest van 30 oktober 2013 en werd ook door de minister van financiën bevestigd in een antwoord op een parlementaire vraag.[1]

1.3. Toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF al dan niet in combinatie met art. 3.17.0.0.2 VCF na het stellen van de voorgenomen verrichtingen

  • Aanpassing van de statuten van Maatschap

63. Voorgaand werd reeds vermeld dat de schenkers bij akte van xx.xx.2014 onherroepelijk afstand hebben gedaan van de blote eigendom van 236.680 aandelen van de Maatschap, zodat geen schenking heeft plaatsgevonden onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenkers. De blote eigendom is onherroepelijk overgegaan naar de begiftigden.

64. In de mate dat de Vlaamse Belastingdienst van mening zou zijn dat artikel 2.7.1.0.3,3° VCF al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF toch van toepassing was op deze schenking, quod certe non, leiden de voorgenomen aanpassingen van de statuten ertoe dat de bevoegdheden van de zaakvoerder in de Maatschap worden afgezwakt.

65. De zaakvoerder zal wel nog het beheer kunnen uitoefenen over de vermogensbestanddelen aangehouden via de maatschap en over al hetgeen ervoor in de plaats komt door belegging, wederbelegging of zaakvervanging, maar heeft geen beschikkingsbevoegdheid meer over de ingebrachte goederen:

  • Daden van beheer kunnen alsdan door de zaakvoerder (schenker) alleen worden gesteld terwijl daden van beschikking met unanimiteit door de algemene vergadering van de Maatschap (schenker en begiftigden samen) moeten worden gesteld.
  • Bij discussie over de kwalificatie als daad van beheer of daad van beschikking dient de daad te worden beschouwd als een daad van beschikking en dient deze daad derhalve met unanimiteit door de algemene vergadering van de Maatschap (schenker en begiftigden samen) te worden gesteld.
  • Vanaf het moment dat de heer X niet meer fungeert als zaakvoerder zijn daden van beschikking onderworpen aan goedkeuring door de raad van advies, waarvan geen van beide schenkers deel uitmaakt.

66. Bovendien is de duurtijd van de maatschap niet gekoppeld aan het leven van de schenkers of de langstlevende van hen.

67. De aanvragers vragen dan ook te willen bevestigen dat er ook na de aanpassing van de statuten geen erfbelasting verschuldigd kan zijn bij het overlijden van de schenkers (of één van hen) op basis van de artikelen 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF.

  • Schenking van aandelen van de Maatschap aan de kinderen en kleinkinderen

68. Voor een uiteenzetting over de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF verwijzen wij graag naar de toelichting onder 1.1 en 1.2 van deze titel.

69. Aanvragers zijn de mening toegedaan dat de schenking van aandelen van de Maatschap aan de kinderen en kleinkinderen van de schenkers geen aanleiding zal geven tot toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, bij het overlijden van (één van) hen.

70. Net als bij de eerste schenking zal de blote eigendom van de geschonken aandelen onmiddellijk worden overgedragen aan de kinderen en kleinkinderen. Deze blote eigendom zal zich niet meer bevinden in het vermogen van de schenkers.

71. Deze situatie verschilt fundamenteel van een schenking onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn, zodat ook deze verrichting de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3°, niet frustreert en bijgevolg geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik.

72. Tot slot leidt de voorafgaande statutenwijziging bij de Maatschap ertoe dat de bevoegdheden van de zaakvoerder worden afgezwakt in het voordeel van de algemene vergadering, die bevoegd wordt voor belangrijke beslissingen (o.a. daden van beschikking met betrekking tot het onderliggende vermogen), zodat er in ieder geval geen sprake meer kan zijn van fiscaal misbruik.

2. Conclusie

73. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat de inbreng van aandelen van de Vennootschap in de Maatschap en de opvolgende schenking van aandelen er niet toe leidt dat de schenkers een schenking hebben gedaan onder opschortende voorwaarde of termijn, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker(s). Bovendien is de schenking van de blote eigendom van de aandelen van de Maatschap zo fundamenteel verschillend van een schenking onder opschortende voorwaarde of termijn, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenkers, dat de doelstelling van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF niet wordt gefrustreerd, zodat er in het voorliggende geval geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik.

De aanvragers vragen uw Dienst dit te willen bevestigen.

74. Daarnaast leiden de aanpassingen van de statuten van de Maatschap, waarbij de bevoegdheden van de zaakvoerder worden afgezwakt en worden toegewezen aan de (buitengewone) algemene vergadering ertoe dat er naar de toekomst toe zeker geen sprake meer kan zijn van een schenking onder opschortende voorwaarde of termijn, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenkers (al dan niet in combinatie met de antimisbruikbepaling).

De aanvragers vragen uw Dienst dit te willen bevestigen.

75. Tot slot zullen de heer en mevrouw X-Y een nog te bepalen aantal aandelen van de vennootschap inbrengen in de Maatschap. Zij zullen deze aandelen vervolgens in blote eigendom schenken aan hun kinderen en twee kleinkinderen. De aanvragers zijn van mening dat deze schenking niet kan worden beschouwd als een schenking onder opschortende voorwaarde of opschortende termijn, die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker(s), al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF.

De aanvragers vragen uw Dienst dit te willen bevestigen.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

76. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak.

77. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt.

78. Op de vraag naar de gevolgen op het vlak van erfbelasting bij het overlijden van de heer X of mevrouw Y in verband met de rechtshandelingen die reeds hebben plaatsgevonden (met name de oprichting van de burgerlijke maatschap op xx.xx.2014; de schenking van xx.xx.2014 en de afstand door de schenkers van de last inzake de minimumrente en de last om het vruchtgebruik op de aandelen van de maatschap aan de langstlevende te laten bij akte van xx.xx.2016) kan niet verder worden ingegaan aangezien er geen voorafgaande beslissingen kunnen worden afgeleverd voor verrichtingen die reeds hebben plaats gehad.​​​​​​​

79. Bijgevolg kan enkel een beslissing worden genomen over de fiscale gevolgen van de concreet voorgestelde aanpassingen aan de statuten van de maatschap en over de bijkomende inbreng in de maatschap en de daarop volgende schenking van de aandelen van de maatschap aan de kinderen en kleinkinderen, meer bepaald naar de gevolgen voor de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF.

80. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht:

- Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF dat luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

(…)

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”

- Artikel 3.17.0.0.2 VCF luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

81. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF treft schenkingen van roerende goederen die door de erflater zijn gedaan onder een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt door het overlijden van de schenker. De ratio legis van deze bepaling is dat de schenker niet de volledige beschikkingsbevoegdheid mag behouden over de geschonken goederen.

82. Uit de aanpassing van de statuten van de maatschap, zoals opgenomen onder randnummers 26 tot en met 40, blijkt dat de bevoegdheden van de zaakvoerder worden afgezwakt. De beslissingsbevoegdheid voor belangrijke beslissingen (inclusief daden van beschikking) verschuift naar de buitengewone algemene vergadering. De functie van de raad van advies wordt uitgebreid.

83. Ingevolge deze aanpassingen, waarmee aanvragers beogen het niveau van het controlevoorbehoud door de zaakvoerder/ schenker over de burgerlijke maatschap (en dus over de geschonken goederen) terug te schroeven, en mede gelet op de concrete omstandigheden van dit dossier, wordt aanvaard dat de mate van controlevoorbehoud van die aard is, dat er geen toepassing wordt gemaakt artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, noch rechtstreeks, noch op basis van artikel 3.17.0.0.2 VCF, op de waarde van de aandelen van de Maatschap bij het overlijden van de heer X of mevrouw Y.

84. Deze beslissing heeft alleen betrekking op erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.
 

--------------

- publicatie op 12.01.2021

 

[1] Vr. en Antw. Kamer, 2013-2014, 10 december 2013, 144 (Vr. nr. 671 R.Mouton)