Conjunctieve ascendentenverdeling

Voorafgaande beslissing nr. 20064 dd. 09.11.2020

Art. 2.8.3.0.1 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers vragen bevestiging dat de voorafgaande inbreng van de hierna vermelde onroerende goederen, behorend tot het eigen vermogen van mevrouw Y in het gemeenschappelijk vermogen, gevolgd door een schenking van deze onroerende goederen samen met gemeenschappelijke onroerende goederen aan de kinderen geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door:

2.1. De heer X, RR […], geboren te […] op xx.xx.1963, en zijn echtgenote;

2.2. Mevrouw Y, RR […], geboren te […] op xx.xx.1939,

samenwonend te […].

3. De echtgenoten X-Y zijn gehuwd onder het wettelijk stelsel van gemeenschap van goederen.

4. De echtgenoten X-Y hebben vier zonen, te weten:

4.1. de heer A, geboren te […] op xx.xx.1965, RR […], gehuwd met mevrouw […], wonende te […];

4.2. de heer B, geboren te […] op xx.xx.1967, RR […], ongehuwd, wonende te […];

4.3. de heer C, geboren te […] op xx.xx.1971, RR […], gehuwd met […], wonende te […];

4.4. de heer D, geboren te […] op xx.xx.1963, RR […], gehuwd met […], wonende te […].

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. Tot het gemeenschappelijk vermogen van de echtgenoten X-Y behoren volgende onroerende goederen:

  • een perceel grond met huis, gelegen in de gemeente […], 2de afdeling, […], sectie B, nr. […];
  • een perceel grond, gelegen in de gemeente […], 2de afdeling […], sectie B, nr. […].

Beide eigendommen vormen een geheel.

6. Er is geen eigen vermogen van de heer X.

7. Mevrouw Y heeft volgende eigen onroerende goederen:

  • een perceel grond met opstaande stal, gelegen te […], 3de afdeling, […], sectie B nr. […];
  • een perceel grond (vroegere uitweg), gelegen te […], 3de afdeling, […], Sectie B nr. […].

Beide eigendommen vormen een geheel.

8. Beide eigendommen, behorend tot het gemeenschappelijk vermogen en het eigen vermogen van mevrouw Y werd verkaveld nl.

  • […] ref. […]: 3 loten voor halfopen bebouwing, 1 lot voor gesloten bebouwing en een lot 5 (bestaand huis). Het lot 5 werd uit de verkaveling gesloten.
  • […] ref. […]: 2 loten voor halfopen bebouwing en lot 3 (achtergrond). Het lot 3 werd uit de verkaveling gesloten.

9. 2 loten voor halfopen bebouwing te […] (behorende tot het eigen vermogen van mevrouw Y) en 2 loten voor halfopen bebouwing te […] (behorende tot het gemeenschappelijk vermogen) zullen geschonken worden aan de kinderen, elk een lot.

10. Omdat de schenkingen, volgens de aanvragers, problemen gaan opleveren bij de latere vererving, aangezien de loten zowel uit het gemeenschappelijk vermogen als uit het eigen vermogen van mevrouw Y worden geschonken, wensen de aanvragers de loten van mevrouw Y voorafgaand aan de schenking in te brengen in het gemeenschappelijk vermogen.

De in te brengen loten met bijhorende grond (zie het opmetingsplan gevoegd bij de aanvraag) werden geschat op € […] elk.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

11. De aanvragers wensen hun zonen elk een perceel grond te schenken.

De onroerende goederen die tot het eigen vermogen van mevrouw Y behoren worden voorafgaandelijk ingebracht in het gemeenschappelijk vermogen.

12. De aanvragers wensen bevestigd te zien dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken gelet op:

  • het voornemen om problemen bij de vererving te vermijden door inbreng van mevrouw van de te schenken gronden in het gemeenschappelijk vermogen;
  • de waarde van de in te brengen loten elk kleiner is dan […] euro.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

13. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

14. De aanvraag tot voorafgaande beslissing is ontvankelijk indien één van de aanvragers zijn fiscale woonplaats in de vijf jaren die de overeenkomst voorafgaan het langst in het Vlaamse Gewest had gevestigd. Hieraan is voldaan.

15. De voorgenomen verrichtingen zullen fiscaal behandeld worden als een conjunctieve ascendentenverdeling (zie SP nr. 15.170 van 25 januari 2016). D.i. een rechtshandeling waarbij, in casu, beide ascendenten (de heer X en mevrouw Y) een deel van hun goederen kosteloos aan hun afstammelingen toebedelen ten titel van verdeling van hun nalatenschap.

Aangezien de voorgenomen ascendentenverdeling zal plaatsvinden bij akte onder de levenden heeft zij de aard van een schenking.

16. Bij een conjunctieve ascendentenverdeling wordt er geen rekening gehouden met de herkomst van de goederen. De goederen van beide ouders worden geacht versmolten te zijn tot één massa die door beide ouders gezamenlijk aan de kinderen wordt geschonken. De kavel van elke begiftigde wordt aldus geacht voor een gelijk deel samengesteld te zijn uit goederen ontvangen van elk van beide ouders (schenkers).

17. Indien de overeenkomsten gesloten worden vanaf 1 juni 2012 kunnen ze afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. De voorgenomen verrichtingen maken geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

18. De voorgenomen verrichtingen maken in principe geen fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er ook niet-fiscale motieven aan deze verrichtingen ten grondslag liggen die voldoende opwegen tegen de fiscale motieven, nl. de voorafgaande inbreng van de gronden van mevrouw in het gemeenschappelijk vermogen, hoewel fiscaal gezien niet noodzakelijk, gebeurt omwille van burgerrechtelijk motieven. Zo wordt bij het overlijden van de schenkers een vordering tot inbreng of inkorting vermeden.


Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

[top]

--------------------

- publicatie op 18.01.2021