Inbreng OG in huwelijksgemeenschap - beding van vooruitmaking

Voorafgaande beslissing nr. 20062 dd. 26.10.2020

Art 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te bekomen, dat:

1.1. De anti-misbruikbepaling uit artikel 3.17.0.0.2. VCDF niet van toepassing is op de voorgenomen verrichting;

1.2. De inbreng wordt belast met het algemeen vast recht van 50 euro.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag werd ingediend door notarissen […], met standplaats te […], namens:

2.1. De heer X, geboren te […] op xx.xx.negentienhonderd tweeënvijftig, nationaal nummer […] en zijn echtgenote,

2.2. Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.negentienhonderd eenenvijftig, nationaal nummer […],

samenwonende te […].

3. De verrichting betreft volgend onroerend goed, toebehorend aan mevrouw Y, voornoemd, voor de geheelheid in volle eigendom:

GEMEENTE […]

Een woonhuis met aanhorigheden, op en met grond, staande en gelegen te […], gekend onder Lot […] in de verkaveling gelegen langs de […], thans gekend ten kadaster of het geweest zijnde onder […], vijfde afdeling, […], sectie A, nummer […], met een oppervlakte volgens zelfde van acht are zevenentachtig centiare (8a 87ca), voorheen gekend in de sectie A, deel van nummer […], met een oppervlakte volgens meting van achthonderd zevenentachtig vierkante meter dertig vierkante decimeter (887m² 30dm²).

Niet-geïndexeerd kadastraal inkomen: negenhonderd zeventien euro (€ 917).

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

4. De ouders van mevrouw Y schonken voorschreven onroerend met voorbehoud van vruchtgebruik, aan hun twee dochters, mevrouw Y, voornoemd, en mevrouw Z, elk voor de onverdeelde helft in blote eigendom, blijkens akte verleden voor notaris […], te […] op xx.xx.2006.

Blijkens akte verleden voor notaris […], te […] op xx.xx.2019, heeft mevrouw Z haar onverdeelde helft in blote eigendom in voormeld onroerend goed afgestaan aan mevrouw Y. Bij zelfde akte kwamen beide ouders tussen om zuiver en eenvoudig te verzaken aan hun vruchtgebruik op het voormelde goed, ingevolge waarvan het onroerend goed op heden voor de geheelheid in volle eigendom toebehoort aan mevrouw Y. Bij deze afstand werden verdeelrechten betaalt op de volledige waarde van het afgestane goed op grond van artikel 2.10.3.0.1, §2 VCF.

5. Mevrouw Y is gehuwd met de heer X, onder het stelsel van gemeenschap van aanwinsten. Mevrouw Y wenst voorschreven onroerend goed in te brengen in de huwgemeenschap, die tussen hen bestaat.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

6. Voormelde woning onderging een totale renovatie, waarbij de kosten werden voldaan met gemeenschapsgelden. Door de inbreng van voormeld onroerend goed in de huwgemeenschap wenst de echtgenote omvangrijke vergoedingsrekeningen tussen haar eigen vermogen en het gemeenschappelijk vermogen op grond van artikel 1432, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek te vermijden bij de ontbinding van het stelsel. Bovendien is zij op grond van artikel 1435 van het Burgerlijk Wetboek ertoe gehouden de meerwaarde gegenereerd door de renovatie bekostigd door het gemeenschappelijk vermogen, te vergoeden. De gedane renovaties werden reeds voor meer dan 90.000 euro bekostigd door het gemeenschappelijk vermogen. De facturen werden ter staving bij de aanvraag gevoegd.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

7. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad.

De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

8. Volgend artikel uit de VCF wordt onderzocht:

- Artikel 3.17.0.0.2 VCF:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

9. De inbreng van het onroerend goed, vermeld onder punt 3, maakt op zich geen fiscaal misbruik uit. Voor het overige kan er geen uitspraak worden gedaan over de voorgenomen verrichting bij gebrek aan nadere gegevens in de aanvraag over eventuele andere voorgenomen verrichtingen m.b.t. het in te brengen onroerend goed of de gezondheidstoestand van de inbrengende echtgenoot.

10. Het besluitvormingsorgaan kan zich niet uitspreken over de toepassing van het algemeen vast recht aangezien dit tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort.
Deze beslissing heeft alleen betrekking op registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

----------

- publicatie op 07.01.2021