Verblijvingsbeding

Voorafgaande beslissing nr. 20056 dd. 23.11.2020

Artt 2.7.1.0.2; 2.7.1.0.3; 2.7.1.0.4; 2.7.1.0.5; 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag


1. Bij het uittekenen van hun vermogensplanning is bij de echtgenoten X-Y doorheen de tijd een groeiende bezorgdheid ontstaan omtrent de positie van de langstlevende echtgenoot. Zij hebben immers in belangrijke mate samen hun vermogen opgebouwd, en willen er absoluut over waken dat de toegang tot, het gebruiksrecht en de zeggenschap over en het comfort van hun vermogen voor de langstlevende echtgenoot maximaal gevrijwaard blijft.

Zoals verder zal worden toegelicht, loopt deze bezorgdheid als een rode draad doorheen de planning die de echtgenoten van hun vermogen hebben gedaan, wensen te doen en allicht in de toekomst ook nog zullen beogen.

De heer en mevrouw X-Y wensen bij wijze van huwelijksvoordeel een verblijvingsbeding te koppelen aan:

  • bepaalde roerende goederen die zij thans in onverdeeldheid aanhouden; en
  • bepaalde roerende goederen die de heer X thans exclusief aanhoudt en onderling in onverdeeldheid wenst te brengen met mevrouw Y.

Dit onverdeeld vermogen zal bij het vóóroverlijden van de eerste echtgenoot ingevolge het verblijvingsbeding aan de langstlevende van hen beiden toekomen.

De aanvragers hebben per email van xx.xx.2020 bijkomende toelichting bezorgd met een overzicht van het deel van het vermogen van de echtgenoten dat zij voor zoveel als nodig en mogelijk onverdeeld willen maken en vervolgens aan het verblijvingsbeding willen onderwerpen.

Het gaat hierbij enerzijds voor het eigen vermogen van de heer X om a) een privéwoning, b) de onverdeelde helft van de inboedel van voormelde woning, c) participaties in diverse familiale vennootschappen en d) gelden en liquiditeiten; en anderzijds voor het eigen vermogen van mevrouw Y om a) de overige onverdeelde helft van voormelde inboedel en b) gelden en liquiditeiten.

De langstlevende van de heer en mevrouw X-Y zal het verblijvingsbeding kunnen toepassen op al het onverdeeld vermogen, zowel roerend als onroerend.

Voorafgaand aan deze verrichtingen wensen de heer en mevrouw X-Y evenwel bevestiging te krijgen dat de uitwerking van dit verblijvingsbeding bij overlijden van de eerste echtgenoot niet zal leiden tot de heffing van successierechten en dat ze daarnaast geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door […], namens:

  • De heer X, geboren te […] op xx.xx.1975, van Belgische nationaliteit, ingeschreven in het Belgische rijksregister onder nummer […];

Hiervoor en hierna genoemd de “X”.

  • Mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1974, van Belgische nationaliteit, ingeschreven in het Belgische rijksregister onder nummer […];

Hiervoor en hierna genoemd “mevrouw Y”.

De heer X en mevrouw Y worden hierna gezamenlijk ook genoemd de “aanvragers”.

3. De aanvragers zijn op xx.xx.1999 gehuwd te […] onder het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap van aanwinsten blijkens huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1999. Die beperkte gemeenschap van aanwinsten werd op xx.xx.2018 opgeheven krachtens een wijzigingsakte verleden voor notaris […], en vormt op vandaag een post-communautaire onverdeeldheid die de aanvragers elk voor een gelijk onverdeeld deel aanhouden. Daarnaast hebben zij op diezelfde datum voor diezelfde notaris aan hun stelsel van scheiding van goederen een beding tot verplichte verrekening van aanwinsten toegevoegd voor het geval van echtscheiding, en een beding tot optionele verrekening van aanwinsten en niet-aanwinsten voor het geval van overlijden.

Voor het geval van overlijden hebben de aanvragers ook bedongen dat de onverdeeldheden die tussen hen zouden bestaan vereffend en verdeeld zullen worden volgens de regels van het gemeen recht, met overeenkomstige toepassing van de artikelen 1432 tot en met 1444 Burgerlijk Wetboek (hierna “BW”), (oud) artikel 1446 BW (toewijzing bij voorrang van de gezinswoning), (oud) artikel 1448 BW (heling) en artikel 1449 BW.

4. De aanvragers hebben twee gemeenschappelijke kinderen. Er zijn geen niet-gemeenschappelijke kinderen.

5. De echtgenoten X-Y hebben hun fiscale woonplaats in het Vlaamse Gewest, met name te […]. De aanvragers wonen sedert meer dan vijf jaar in het Vlaamse Gewest.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

6. Zoals voormeld, zijn de aanvragers sinds 1999 gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen. Het vermogen dat zij samen tijdens hun huwelijk hebben opgebouwd bestaat uitsluitend uit aanwinsten. Die aanwinsten behoren tot hun respectieve eigen vermogens, deels in onverdeeldheid tussen de echtgenoten (en meer specifiek onder andere tot de tussen hen bestaande post-communautaire onverdeeldheid), deels exclusief tot het eigen vermogen van één echtgenoot. De heer X beschikt daarnaast over een belangrijk eigen vermogen dat bestaat uit niet-aanwinsten, aangezien hij diverse giften van zijn ouders heeft verkregen.

7. Zoals voormeld, werd  de tussen hen bestaande beperkte gemeenschap van aanwinsten per xx.xx.2018 ontbonden. Het vermogen betrokken in die beperkte gemeenschap van aanwinsten houden de echtgenoten op vandaag onverdeeld aan. De aanvragers hebben op het moment van ontbinding beslist om niet over te gaan tot verdeling van de in die onverdeeldheid opgenomen goederen. Alle goederen die dus tot dit gemeenschappelijk vermogen behoorden, zijn alzo tussen hen in onverdeeldheid gebleven.

8. Daarnaast hebben de echtgenoten ook ‘gewone’ onverdeeldheden gecreëerd, door bepaalde roerende vermogensbestanddelen die in hun stelsel eigen zijn niet volledig gescheiden te houden. Ook die vermogensbestanddelen vormen tussen de aanvragers een onverdeeldheid waarin ze geacht worden voor gelijke delen gerechtigd te zijn.

9. Zoals hierboven reeds aangestipt, willen de echtgenoten er absoluut over waken dat de toegang tot, het gebruiksrecht en de zeggenschap over en het comfort van hun vermogen voor de langstlevende echtgenoot maximaal gevrijwaard blijft. Geheel in lijn met deze idee hebben de aanvragers op xx.xx.2018 reeds een verrekenbeding (bij overlijden) toegevoegd aan hun stelsel.

10. Echter, de aanvragers willen opnieuw verder gaan in deze verzorgingsgedachte en willen bepaalde van de tussen hen bestaande onverdeelde goederen onderwerpen aan nieuwe bedingen die ze aan hun huwelijksstelsel willen toevoegen. De aanvragers wensen immers dat deze onverdeelde goederen voor het geval van overlijden van een van hen niet langer onderworpen zijn aan hun huidig verrekenbeding. Ze willen deze onverdeelde goederen onmiddellijk in volle eigendom en in natura aan de langstlevende van hen toebedelen via een verblijvingsbeding. Daardoor zullen al de onverdeelde goederen bij overlijden van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende toebehoren, tenzij de langstlevende zou kiezen, overeenkomstig de nader in de nieuwe huwelijksovereenkomst te specifiëren modaliteiten, om zich niet op dit verblijvingsbeding te beroepen. In geval van echtscheiding, blijft de regel gelden dat de onverdeeldheid bij gelijke delen zal worden verdeeld.

11. Voor goederen die niet onverdeeld zijn, maar exclusief aan één echtgenoot toebehoren, blijft de regel gelden dat ze in geval van echtscheiding opgenomen worden in een dwingend verrekenbeding, voor zover het om aanwinsten van de echtgenoten gaat. In geval van overlijden blijft de regel gelden dat die goederen of goederen waarop het verblijvingsbeding geen betrekking heeft, onderworpen worden aan het optioneel verrekenbeding, ongeacht of het om aanwinsten of niet aanwinsten gaat.

12. Zoals voormeld, wenst de heer X echter ook dat zijn echtgenote een belangrijk deel van zijn eigen vermogen in volle eigendom kan verkrijgen indien hij als eerste zou overlijden. Daarom wenst hij door middel van een beding in hun huwelijksovereenkomst een aantal roerende goederen die exclusief tot zijn eigen vermogen behoren in onverdeeldheid te brengen met haar. Aan deze onverdeeldheid wensen de aanvragers opnieuw een verblijvingsbeding te koppelen, zodat deze onverdeeldheid in geval van overlijden van één van hen, aan de langstlevende van hen zal toekomen.

[top]

 

III. Motivering van de aanvraag

13. Hierna laten de aanvragers gelden dat zij zich op geen enkele manier in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving door implementatie van de voorgenomen verrichtingen (objectief element). Daarnaast verantwoorden zij waarom enkel de voorgenomen verrichtingen aansluiten bij hun uitgangspunt, en die keuze geenszins strekt tot het verkrijgen van een belastingvoordeel (subjectief element).

a. Objectief element: geen frustratie doelstellingen van fiscale wetgeving

14. De aanvragers verzoeken te bevestigen dat het voordeel dat de langstlevende zal verkrijgen door de toepassing van hogervermeld verblijvingsbeding niet zal worden onderworpen aan de hierna vermelde decretale bepalingen, om de redenen die de aanvragers vermelden. Zij laten ten eerste gelden dat zij zich op geen enkele manier in een toestand plaatsen die strijdig is met de doelstellingen van de fiscale wetgeving (objectief element). De argumentatie gaat op voor alle tussen de aanvragers bestaande onverdeeldheden alsook voor de in onverdeeldheid te brengen roerende goederen die op vandaag tot het eigen vermogen van de heer X behoren.

I. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.2. VCF

15. Artikel 2.7.1.0.2 VCF belast met erfbelasting goederen die worden verkregen uit de nalatenschap, via wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling. Het voordeel dat de langstlevende ingevolge de het verblijvingsbeding zal verkrijgen, wordt echter niet uit de nalatenschap verkregen (dus niet via wettelijke devolutie, noch door uiterste wilsbeschikking, noch door een contractuele erfstelling). Het voordeel wordt louter huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, als een huwelijksvoordeel, en dus als niet-schenking, zoals door de wet van 22 juli 2018 bij de invoering van het nieuwe huwelijksvermogensrecht omschreven.

Een huwelijksvoordeel wordt civielrechtelijk gedefinieerd als een voordeel dat voor een van de echtgenoten ontstaat uit de wijze van samenstelling, werking, vereffening of verdeling (en verrekening) van het huwelijksvermogensstelsel (H. CASMAN, Huwelijksvoordelen, Antwerpen, Kluwer, 1976; deze definitie werd reeds in 2012 expliciet door de wetgever overgenomen in art. 1429bis BW).

Een huwelijksvoordeel wordt dus huwelijksvermogensrechtelijk verkregen, uit hoofde van het huwelijksstelsel, waarvan de vereffening voor gaat op de vaststelling van de omvang van de nalatenschap (Cass. 24 maart 2017). Het kan om die reden nooit een erfrechtelijke verkrijging zijn.

Een huwelijksvoordeel is civielrechtelijk nooit een schenking en bij uitbreiding geen contractuele erfstelling. Het wordt gekwalificeerd als een niet-schenking (Cass. 10 december 2010). Deze kwalificatie is objectief, d.w.z. dat ze bestaat ongeacht de intentie van partijen. Een intentie om te begiftigen (animus donandi) kan die kwalificatie niet wijzigen, sterker nog, het bewijs dat er sprake zou zijn van een intentie om te begiftigen mag zelfs niet geleverd worden (GwH 23 november 2005, nr. 170/2005).

Deze kwalificatie werkt ook in een stelsel van scheiding van goederen, zoals dit voor de aanvragers het geval is. Echtgenoten die gehuwd zijn onder dit stelsel mogen aan dit stelsel clausules toevoegen, met name clausules ter nadere regeling van enige onverdeeldheid die tussen hen zou bestaan. De artikelen 1429bis, 1458, 1464 en 1465 zijn in een stelsel van scheiding van goederen van overeenkomstige toepassing (art. 1469, § 1, vierde lid BW zoals ingevoerd door de wet van 22 juli 2018).

Dit betekent dat indien uit de samenstelling, werking, vereffening, verdeling (of verrekening) van het stelsel van scheiding van goederen zoals in de huwelijksovereenkomst uitgewerkt, voor een van de echtgenoten een voordeel kan ontstaan, dit voordeel een huwelijksvoordeel zal zijn.

Deze civielrechtelijke kwalificatie werkt ook in het fiscaal recht door. Dat bevestigde het Hof van Cassatie reeds bij arrest van 9 juli 1931. Het fiscaal recht moet de kwalificatie als niet-schenking dus aanvaarden, tenzij een specifieke en expliciete fiscale bepaling daarvan zou afwijken.

De overgang/toebedeling op grond van het overwogen verblijvingsbeding kan dus niet worden belast op grond van artikel 2.7.1.0.2 VCF.

16. Civielrechtelijk maakt het verkregen huwelijksvoordeel over aanwinsten een volkomen huwelijksvoordeel uit, vermits de grenzen van artikel 1464 BW (in casu van toepassing aangezien er gemeenschappelijke kinderen zijn) niet worden overschreden. Die kwalificatie van volkomen huwelijksvoordeel heeft belangrijke civiele gevolgen. De aanwinsten zullen immers integraal aan de langstlevende worden toegekend zonder dat deze voordelen kunnen worden ingekort. Ze worden niet opgenomen in de fictieve of hereditaire massa (art. 922 BW), bepalen de omvang van het beschikbaar deel van de nalatenschap niet mee, en worden noch op dat beschikbaar deel noch op de reserve aangerekend.

17. De toekenning boven de helft aan de langstlevende echtgenoot van de niet-aanwinsten wordt civielrechtelijk en louter met het oog op de erfrechtelijke verrekening ervan wel met een schenking gelijkgesteld. Echter, dit maakt van dit huwelijksvoordeel nog geen schenking. De afwijkende kwalificatie strekt er immers enkel toe de rechten van de reservataire erfgenamen te vrijwaren (Cass. 5 januari 2017). Ze leidt dus niet tot een volledige assimilatie van het huwelijksvoordeel met een schenking. Op dit huwelijksvoordeel waarvan de reservataire erfgenaam desgevallend de inkorting zal kunnen vragen, is art. 2.7.1.0.2 VCF dan ook niet van toepassing.

II. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.3.,3° VCF

18. De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat zij niet overgaan tot een schenking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld door het overlijden van de eerste echtgenoot. Een verblijvingsbeding is zoals vermeld een huwelijksvoordeel en geen schenking, zoals bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 10 december 2010 en Cass. 5 januari 2017).

III. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.4. VCF

19. De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat het vermogen dat zij laten verblijven niet tot een huwgemeenschap behoort, maar tot hun eigen vermogen (zie bijv. Antwerpen 5 oktober 2004). Zoals voormeld, zijn de aanvragers gehuwd onder een stelsel van scheiding van goederen waaraan zij een verblijvingsbeding wensen toe te voegen voor het geval van overlijden, dat louter betrekking heeft op onverdeelde goederen, niet op gemeenschapsgoederen.

IV. Geen frustratie van artikel 2.7.1.0.5. VCF

20. De aanvragers frustreren dit artikel niet omdat zij niet overgaan tot een kosteloze beschikking. Een verblijvingsbeding is zoals voormeld een huwelijksvoordeel, en dus een overeenkomst onder bezwarende titel en geen schenking, zoals bevestigd door het Hof van Cassatie (Cass. 10 december 2010 en Cass. 5 januari 2017).

21. Ook de inbreng in onverdeeldheid via huwelijkscontract van exclusief eigen roerend vermogen (wat dus, gezien de post-communautaire onverdeeldheid essentieel een niet-aanwinst is) door de heer X met zijn echtgenote levert een huwelijksvoordeel op voor de echtgenoot die mede-eigenaar wordt van die goederen (cf. de inbreng in een gemeenschappelijk vermogen, of in een gemeenschap of vennootschap van aanwinsten die aan een scheiding van goederen wordt toegevoegd, Cass. 12 januari 2017). De inbreng moet dus zoals voormeld als een niet-schenking worden gekwalificeerd. Bijgevolg kan op deze inbreng ook geen schenkbelasting worden geheven.

Door het uitdrukkelijk beding van deze huwelijksovereenkomst zal mevrouw Y meer verkrijgen dan de helft van het door de heer X verkregen geschonken vermogen dat hij in de onverdeeldheid wenst te brengen. Zoals voormeld, wordt dit voordeel op grond van art. 1464, tweede lid BW louter voor de erfrechtelijke verrekening met een schenking gelijkgesteld in geval van samenloop met gemeenschappelijke kinderen. De afwijkende kwalificatie strekt er enkel toe de rechten van de reservataire erfgenamen te vrijwaren (Cass. 5 januari 2017). Ze leidt dus niet tot een volledige assimilatie van het huwelijksvoordeel met een schenking. Op dit huwelijksvoordeel waarvan reservataire erfgenamen desgevallend de inkorting zullen kunnen vragen, is ook art. 2.7.1.0.5 VCF dan ook niet van toepassing.

V. Tussentijdse samenvatting

22. De voorgenomen verrichtingen frustreren de doelstellingen van art. 2.7.1.0.2 VCF, art. 2.7.1.0.3,3° VCF, art. 2.7.1.0.4. VCF en art. 2.7.1.0.5 VCF niet. Die verrichtingen verlenen immers huwelijksvoordelen die huwelijksvermogensrechtelijk worden verkregen, en de aanvragers gaan niet over tot enige schenking of kosteloze beschikking onder een opschortende voorwaarde of termijn die wordt vervuld ingevolge het overlijden van de schenker, noch kwalificeren de verrichtingen als een erfrechtelijke verkrijging. Dit impliceert dat de overgang/toebedeling op grond van het overwogen verblijvingsbeding niet onderworpen is aan schenk- of erfbelasting. Zelfs in geval van ongelijkheid van inleg impacteert dit de civiele kwalificatie van het huwelijksvoordeel niet. Voormelde overgang/toebedeling valt dus niet onder de hierboven vermelde decretale bepalingen. Aangezien de voorgenomen planning geen enkele fiscale bepaling frustreert, kan er ook geen sprake zijn van fiscaal misbruik.

b. Subjectief element: civielrechtelijk oogmerk dat niet strekt tot verkrijgen belastingvoordeel

I. De huidige planning beantwoordt niet volkomen aan de wensen

23. De aanvragers laten gelden dat hun keuze voor de voorgenomen verrichtingen geenszins strekt tot het verkrijgen van een belastingvoordeel. Dit lichten zij hieronder nader toe.

24. Als gevolg van de hervorming van het huwelijksvermogensrecht door de wet van 22 juli 2018 zijn zij tot de vaststelling gekomen dat het mogelijk is om huwelijksvoordelen aan mekaar toe te kennen met civielrechtelijke voordelen die hun huidige verrekenbedingen niet kunnen bieden. Het BW laat op vandaag immers toe om een verblijvingsbeding aan onverdeeldheden te koppelen waardoor onverdeelde goederen bij overlijden van een van de echtgenoten van rechtswege, onmiddellijk, in volle en exclusieve eigendom aan de langstlevende zullen toekomen, tenzij de langstlevende zou kiezen om zich niet op dit verblijvingsbeding te beroepen overeenkomstig de nader in de nieuwe huwelijksovereenkomst te specifiëren modaliteiten (cf. art. 1469, §1 BW). De voorgenomen verrichtingen bieden de langstlevende dan ook een veel comfortabelere positie dan deze die door een verrekenbeding wordt geschapen:

  • Voor de werking van het verrekenbeding moet de samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa worden vastgesteld in onderling overleg tussen de langstlevende echtgenoot en de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot;
  • Bij ontstentenis van akkoord wordt de samenstelling en de nettowaarde van de verrekenmassa door een deskundigencollege vastgelegd;
  • Na kennisgeving van de gemaakte keuze over de verrekensleutel moeten de rechtsopvolgers van de overleden echtgenoot tot betaling overgaan, hetzij in geld, hetzij door afstand van goederen aan de langstlevende. Het is voor de schuldenaars van de verrekenschuld bovendien mogelijk om de schuld in schijven te voldoen.

25. Door de onmiddellijke en zakelijke werking van het verblijvingsbeding zijn al deze stappen niet nodig, en treedt de langstlevende, vanaf de kennisgeving van zijn/haar keuze, maar met uitwerking vanaf het overlijden, in het bezit en in de volle eigendom van de onverdeelde goederen, die hem/haar in natura verblijven. Juist hierdoor is er voor de langstlevende op civielrechtelijk vlak een veel comfortabelere positie dan bij een verrekenbeding.

26. Zoals hierboven reeds werd toegelicht behoort het leeuwendeel van het vermogen van de aanvragers op vandaag tot het eigen vermogen van de heer X. De beoogde doelstellingen maken het de heer X mogelijk om een belangrijk deel van zijn eigen vermogen toe te bedelen aan zijn echtgenote indien zij de langstlevende is, op een manier die onherroepelijk is. Hiermee wenst hij zijn echtgenote gemoedsrust te geven, en wenst hij haar verzorgd achter te laten indien zij het langst zou leven. Daarnaast kan hij op grond van de inbreng via huwelijkscontract autonoom blijven beschikken over zijn aandeel in de onverdeeldheid overeenkomstig artikel 577-2, §4 BW.

II. Tussentijdse conclusie

27. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers de voorgenomen verrichtingen duidelijk overwegen omwille van niet-fiscale motieven. Er kan maar sprake zijn van fiscaal misbruik indien ook het vereiste subjectieve element is vervuld, met name het feit dat een belastingplichtige een rechtshandeling (of het geheel van rechtshandelingen) alleen kiest met als wezenlijk doel het verkrijgen van een belastingvoordeel. De aanvragers verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven er hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de voorgenomen verrichtingen die ze u voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.

Conclusie

28. De aanvragers hebben op basis van goed overwogen uitgangspunten een planningstraject uitgewerkt waarin zij de toekenning van bestaande onverdeeldheden alsook bepaalde goederen die de heer X via huwelijkscontract in onverdeeldheid zal brengen, via een verblijvingsbeding aan de langstlevende echtgenoot waarborgen.

29. De motieven zijn duidelijk aangehaald en zijn niet-fiscaal van aard. Om die reden menen de aanvragers dat de voorgenomen verrichtingen bij overlijden van de eerste echtgenoot niet leiden tot de heffing van successierechten en dat de voorgenomen verrichtingen geen fiscaal misbruik uitmaken in de zin van artikel 3.17.0.0.2. Vlaamse Codex Fiscaliteit.

30. Een verblijving van de volledige onverdeeldheid toegevoegd via het huwelijkscontract kan niet worden belast in de erfbelasting. Erfbelasting kan immers maar verschuldigd zijn op basis van een decreet (artikel 170 van de Grondwet). Bij gebrek aan decretale bepaling in die zin, kan de verblijving van eigen onverdeeld vermogen tussen echtgenoten niet worden belast (zie in dat verband ook Voorafgaande Beslissing nr. 19053 per 21 oktober 2019).

31. Graag vragen wij uw dienst om bevestiging hiervan.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

32. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

33. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht, zoals in de aanvraag vermeld:

- Artikel 2.7.1.0.2 VCF dat luidt als volgt:

De erfbelasting is verschuldigd ongeacht of de verkrijging gebeurt ingevolge wettelijke devolutie, uiterste wilsbeschikking of contractuele erfstelling.

Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.

- Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF dat luidt als volgt:

Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

1° …

2° …

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.

- Artikel 2.7.1.0.4 VCF dat luidt als volgt:

De langstlevende echtgenoot die ingevolge een huwelijksovereenkomst die niet aan de regels voor de schenkingen is onderworpen, meer dan de helft van de gemeenschap toegekend krijgt, wordt voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met de langstlevende echtgenoot die, als niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling van de gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking onder de levenden of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

- Artikel 2.7.1.0.5 VCF dat luidt als volgt:

§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.

- Artikel 3.17.0.0.2 VCF dat luidt als volgt:

Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

34. Er worden 2 verrichtingen voorgelegd, die zullen worden verwezenlijkt via een wijziging van de huwelijksovereenkomst, waarbij het stelsel van scheiding van goederen behouden blijft:

  • toevoeging van een verblijvingsbeding met betrekking tot de roerende goederen die zij thans in onverdeeldheid aanhouden;
  • toevoeging van een verblijvingsbeding met betrekking tot de roerende en de onroerende goederen die één van hen thans exclusief aanhoudt en onderling in onverdeeldheid zal brengen[1].

Uit de bijkomende toelichting per email blijkt dat de langstlevende echtgenoot het verblijvingsbeding zal kunnen toepassen op al het onverdeeld vermogen, zowel roerend als onroerend (supra randnummer 1).

35. Voor goederen die op het moment van overlijden niet onverdeeld zijn maar exclusief aan één echtgenoot toebehoren, of goederen waarop het verblijvingsbeding geen betrekking heeft, blijft de regel gelden dat ze onderworpen worden aan het optioneel finaal verrekenbeding bij overlijden.

36. Algemeen wordt vooreerst aanvaard dat de voorgenomen verrichtingen welke bij huwelijksovereenkomst zouden plaatsvinden, namelijk de overeenkomst van inbreng en die van toebedeling via een verblijvingsbeding, overeenkomsten onder bezwarende titel zijn. Bovendien blijven deze overeenkomsten onder bezwarende titel, ook al is de inleg en/of de levensverwachting ongelijk, dit in tegenstelling tot hetgeen geldt voor bedingen van aanwas.

37. De inbreng door de aanvragers van eigen goederen in de onverdeeldheid is fiscaal gezien de overdracht (onder bezwarende titel) van een onverdeeld deel. Voor zover deze verrichting betrekking heeft op roerende goederen, is hierop geen Vlaamse registratiebelasting verschuldigd.

38. Voor wat de toebedeling via het verblijvingsbeding betreft, is het zo dat de toebedeling van de volledige onverdeeldheid aan de langstlevende geen erfrechtelijke verkrijging is doch wel een verkrijging op grond van een overeenkomst onder de levenden.

39. Een conventionele overdracht onder bezwarende titel van onroerende goederen valt in principe onder het toepassingsgebied van de registratiebelasting.

40. Voor een dergelijke overdracht in het kader van een toebedeling van meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen bij overlijden maakt de fiscale regelgeving hierop een uitzondering door de overdracht (zowel van onroerende als van roerende goederen) onder de erfbelasting te plaatsen op grond van artikel 2.7.1.0.4 VCF. Deze bepaling is hier echter niet van toepassing, zoals de aanvrager aangeeft, vermits er in casu geen sprake is van een gemeenschappelijk vermogen.

41. We vallen dus terug op de algemene regels inzake het verkoop- of het verdeelrecht.

42. Samengevat betekent dit concreet het volgende:

  • op de toebedeling van de roerende goederen is geen erf- noch registratiebelasting verschuldigd;
  • op de toebedeling van onroerende goederen zal het verdeelrecht verschuldigd zijn indien de echtgenoten dezelfde titel hebben in de onverdeeldheid. Is de verkrijger echter een derde-verkrijger, dan zal op de toebedeling aan deze verkrijger het verkooprecht van toepassing zijn op grond van artikel 2.9.1.0.7 VCF.

43. Uit het voorgaande volgt dat de artikelen 2.7.1.0.2 VCF, 2.7.1.0.3, 3° VCF, 2.7.1.0.4 VCF en 2.7.1.0.5 VCF in principe geen toepassing vinden op de voorgenomen verrichtingen.

44. Elk contract dat is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan evenwel worden afgetoetst aan de anti-misbruikbepalingen. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

45. De artikelen van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting) van de VCF vormen de rechtsgrond voor de heffing van de erfbelasting. Bij deze bepalingen wordt er geen onderscheid gemaakt tussen specifieke en algemene bepalingen. Evenwel is het zo dat de bepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF voorkomt dat men zich door gebruik van bepaalde rechtshandelingen buiten het toepassingsgebied van een heffingsbepaling stelt enkel en alleen vanwege fiscale motieven.

De fictiebepalingen ingevoegd in de VCF zijn terug te vinden in de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF en betreffen regelingen waarbij de wetgever/decreetgever het noodzakelijk vond een bepaalde verkrijging gelijk te stellen met een legaat. De fictiebepalingen zijn geen specifieke misbruikbepalingen. Elke fictiebepaling heeft een specifiek doel. In de voorbereidende werken van elk van deze bepalingen kan de doelstelling worden nagelezen aan de hand waarvan een concrete techniek kan worden geëvalueerd. De fictiebepaling kan enkel worden toegepast als er voldaan is aan de voorwaarden die door het overeenkomstig artikel uit de VCF worden gesteld.

Uit de structuur van de VCF kan worden afgeleid dat de decreetgever met de artikelen 2.7.1.0.3 tot en met 2.7.1.0.9 VCF geen specifieke misbruikbepalingen voor ogen had: de algemene misbruikbepaling is opgenomen in titel 3 (Inning en Invordering), die algemeen de procedurebepalingen bevat terwijl de fictiebepalingen opgenomen zijn in titel 2 (Belastingheffing), die de inhoudelijke bepalingen bevat. Meer bepaald werden de fictiebepalingen opgenomen onder hoofdstuk 7 (Erfbelasting), afdeling 1 (belastbaar voorwerp).

De anti-misbruikbepaling, zoals opgenomen in art. 3.17.0.0.2 VCF, is een algemene bepaling. Het gegeven dat een artikel van titel 2, hoofdstuk 7 (erfbelasting), meer bepaald een fictiebepaling, van de VCF niet kan worden toegepast omdat de voorwaarden niet zijn voldaan sluit de inroeping door de Vlaamse Belastingdienst van art 3.17.0.0.2 VCF niet uit. Dit laatste artikel werd immers in het leven geroepen om te voorkomen dat de overledene voor zijn overlijden via bepaalde (legale) technieken zijn nalatenschap zou laten vererven met ontwijking van de erfbelasting.

46. Uit de gegevens opgenomen in de aanvraag blijkt dat de echtgenoten sedert 1999 gehuwd zijn onder het stelsel van scheiding van goederen met toevoeging van een beperkte gemeenschap van aanwinsten ingevolge voorhuwelijks huwelijkscontract. Die beperkte gemeenschap van aanwinsten werd in 2018 opgeheven krachtens een wijzigingsakte en vormt op vandaag een post-communautaire onverdeeldheid die de aanvragers elk voor een gelijk onverdeeld deel aanhouden. Eveneens werd op hetzelfde moment in 2018 een verrekenbeding toegevoegd aan hun stelsel van scheiding van goederen. Zij hebben twee gemeenschappelijke kinderen.

Thans wensen zij een verblijvingsbeding toe te voegen dat de langstlevende echtgenoot zal kunnen toepassen op al het onverdeeld vermogen, zowel roerend als onroerend.

47. Gelet op de concrete feitenconstellatie in de aanvraag en zoals aangevuld per email van xx.xx.2020 en de voorgelegde niet-fiscale motieven in de randnummers 23-26 is het besluitvormingsorgaan van oordeel dat de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

48. Deze beslissing heeft alleen betrekking op de erf- en de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

 

----------------

- publicatie op 12.01.2021