Kanscontract

Voorafgaande beslissing nr. 20055 dd. 09.11.2020

Artt 2.8.1.0.1, 2.8.4.1.1; 2.7.1.0.3; 2.7.1.0.5; 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

  • het voorgelegde kanscontract (in bijlage 2 van de aanvraag) tussen de echtgenoten rechtsgeldig is en kwalificeert als een kanscontract onder bezwarende titel;
  • de voorgenomen verrichting niet onderworpen zal worden aan schenkbelasting en dat aldus de artikelen 2.8.1.0.1 VCF en 2.8.4.1.1, §2, VCF niet van toepassing zullen zijn;
  • de voorgenomen verrichting niet onderworpen zal worden aan erfbelasting en dat aldus de fictiebepalingen van artikel 2.7.1.0.3 VCF en 2.7.1.0.5 VCF niet van toepassing zullen zijn;
  • de voorgenomen verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF.

De aanvragers verzoeken uitdrukkelijk, overeenkomstig artikel 3.22.0.0.1, §4, lid 1, VCF, dat, gelet op het voorwerp van de aanvraag, de termijn waarvoor de beslissing wordt getroffen langer zal zijn dan vijf jaar. Meer bepaald verzoeken zij om een geldigheidsduur van de afgeleverde beslissing tot en met het overlijden van een van hen beiden

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door mevrouw […], namens:

2.1. de heer X, geboren te […] op xx.xx.1957, met rijksregisternummer […]; en zijn echtgenote

2.2. mevrouw Y, geboren te […] op xx.xx.1963 en met rijksregisternummer […],

samenwonende te […].

Zij hebben hun woonplaats reeds meer dan vijf jaar in het Vlaams Gewest gevestigd.

3. De echtgenoten X - Y zijn gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […] te […] op xx.xx.1987, zoals gewijzigd bij akte op xx.xx.2009 verleden door notaris […] te Leuven (zie bijlage 1 van de aanvraag), sedertdien niet gewijzigd.

4. De echtgenoten X - Y hebben geen kinderen, noch heeft een van hen kinderen uit een vorige relatie.

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. De aanvragers wensen de volgende beleggingsportefeuille, die tot hun respectievelijke eigen vermogens behoort, ieder van hen voor de helft in onverdeeldheid, onder hetzelfde kanscontract te brengen:

- de beleggingsportefeuille met nummer […] bij […] (hierna genoemd:  de "beleggingsportefeuille”.

6. Het voorgenomen kanscontract is ingegeven vanuit de intentie van de aanvragers om de langstlevende onder hen te beschermen bij het overlijden van de eerststervende. De aanvragers wensen vandaag zekerheid te bekomen dat de langstlevende van hen de voornoemde roerende goederen zal verwerven. Deze zekerheid kan niet gerealiseerd worden door middel van een testament aangezien een testament steeds herroepbaar is. Bovendien wordt een eventuele samenloop met andere erfgenamen ingevolge de wettelijke devolutie uitgesloten door het kanscontract.

Het is tevens de wil van de aanvragers om gebonden te zijn door het kanscontract. Zulks kan opnieuw niet worden bereikt door middel van een testament.

Het voorgenomen kanscontract ten bezwarende titel kan slechts worden gewijzigd of opgeheven mits toestemming van alle partijen en vormt aldus het meest geschikte instrument om bovengenoemde doelstellingen van de aanvragers te bereiken.

7. De aanvragers zullen de beleggingsportefeuille eveneens inbrengen in een huwelijksvermogensrechtelijke onverdeeldheid met daaraan gekoppeld een keuzebeding. Gelet op het feit dat het kanscontract geen uitwerking dient te krijgen, in zoverre voornoemde beleggingsportefeuille (ofwel de goederen die door zaakvervanging hiervoor in de plaats zijn gekomen), toebedeeld zou worden aan de langstlevende op basis van het huwelijkscontract gesloten tussen de aanvragers, werd het kanscontract optioneel geformuleerd.

8. Een kopie van het voorgenomen kanscontract wordt als bijlage bij deze rulingaanvraag gevoegd (zie bijlage 2 van de aanvraag).

[top]

III. Motivering van de aanvraag

9. In haar standpunt nr. 17044 dd. 19 september 2018 (oorspronkelijk gepubliceerd op 29 januari 2018) zette de Vlaamse Belastingdienst de voorwaarden uiteen waaraan een aanwasbeding moet voldoen opdat het op fiscaal vlak aanvaard zou kunnen worden (i.e. dat de betrokken goederen niet onderworpen zullen worden aan de erfbelasting of de schenkbelasting).

Overeenkomstig het standpunt moet het aanwasbeding (1) opgenomen zijn in een notariële akte indien het betrekking heeft op onroerende goederen, (2) beperkt zijn via een beschikking onder bijzondere titel en (3) ten bezwarende titel zijn.

Het feit dat een aanwasbeding tussen echtgenoten wordt afgesloten, maakt dit beding op zich niet ongeldig, zoals bevestigd wordt door de Vlaamse Belastingdienst in voormeld standpunt. Wanneer een aanwasbeding wordt afgesloten tussen echtgenoten moet het slaan op de goederen die behoren tot de eigen vermogens van de echtgenoten (zoals dat in casu het geval is).

In casu voldoet het kanscontract aan alle voorwaarden, zoals uiteengezet door de Vlaamse Belastingdienst in haar standpunt nr. 17044 dd. 19 september 2018, zodat het moet worden beschouwd als een kanscontract ten bezwarende titel. Dit wordt hieronder nader toegelicht.

9.1. ONDERHANDSE OVEREENKOMST

De beschreven overeenkomst zal onderhands (niet-notarieel) worden afgesloten.

In haar standpunt nummer 17044 dd. 19 september 2018 stelt de Vlaamse Belastingdienst uitdrukkelijk dat het aanwasbeding(/kanscontract) enkel in een notariële akte moet worden opgenomen indien het betrekking heeft op onroerende goederen.

Aangezien het kanscontract in casu enkel betrekking heeft op roerende goederen (i.e. een beleggingsportefeuille) belet niets de aanvragers om het kanscontract onderhands af te sluiten.

9.2. HET KANSCONTRACT IS TEN BIJZONDERE TITEL

In haar standpunt nummer 17044 dd. 19 september 2018 stelt de Vlaamse Belastingdienst dat de overeenkomst van aanwas onder bijzondere titel is "wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zij roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden".

Dat is in casu het geval aangezien het kanscontract enkel betrekking heeft op specifiek omschreven roerende goederen (cfr. supra) en de goederen die er - bij wijze van zaakvervanging - van in de plaats zullen komen (zulks overeenkomstig het standpunt nummer 17044).

Bovendien voorziet het kanscontract in casu uitdrukkelijk dat inbrengen van nieuwe goederen niet toegelaten zijn (cfr artikel 6 kanscontract).

Voor zoveel als nodig, bevestigen de aanvragers nog dat het onverdeeld aandeel van elke echtgenoot in de beleggingsportefeuille tot het eigen vermogen van de respectievelijke echtgenoten behoort.

Gelet op het voorgaande kwalificeert het kanscontract in casu aldus als een kanscontract ten bijzondere titel.

9.3. KANSCONTRACT IS TEN BEZWARENDE TITEL

9.3.1. PRINCIPE

Een kanscontract wordt traditioneel gekwalificeerd als een overeenkomst onder bezwarende titel. Het bezwarende karakter volgt uit het feit dat de partijen gelijke kansen bezitten om het goed in totaliteit te verkrijgen. Het is hierbij evenwel van belang dat er een effectieve kansengelijkheid tussen de partijen bestaat. De gelijkheid van kansen wordt beoordeeld op het moment van het sluiten van de overeenkomst.[1]

De Vlaamse Belastingdienst stelt in haar standpunt 17044 dd. 19 september 2018 dat het aanwasbeding(/kanscontract) wordt aanzien als een overeenkomst ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. De Vlaamse Belastingdienst vereist daarbij niet dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.

De rechtspraak stelt zich soepel op bij de concrete beoordeling van de gelijke kansen. Een groot  leeftijdsverschil vormt voor de hoven en rechtbanken geen beletsel voor de gelijkwaardigheid van kansen.[2] Zo oordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout dat een groot leeftijdsverschil van 16 jaar niet problematisch is.[3] Ook het hof van beroep te Antwerpen oordeelde in die zin over een leeftijdsverschil van 14 jaar[4] en een leeftijdsverschil van 10 jaar[5].

9.3.2. IN CASU

Dat partijen voornemens zijn om een evenwichtig kanscontract met gelijkheid van kansen te sluiten, blijkt uit de volgende concrete omstandigheden.

9.3.2.1. GELIJKAARDIGE LEVENSVERWACHTING

Ten eerste hebben de aanvragers een gelijkaardige levensverwachting.

Zo hebben de aanvragers een gelijkaardige leeftijd, te weten de heer X 63 jaar (° xx.xx.1957) en mevrouw Y wordt later dit jaar 57 jaar (° xx.xx.1963). De aanvragers zijn nog relatief jong.

Daarnaast verkeren de aanvragers in eenzelfde goede gezondheid. Zulks werd voor elk van de aanvragers bevestigd door een geneesheer in een medisch attest (zie bijlage 3 van de aanvraag).

Het leeftijdsverschil van 6 jaar kwalificeert onder de thans geldende rechtspraak als een kansengelijkheid aangezien deze in concreto moet worden beoordeeld en niet enkel mag worden gesteund op een objectieve leeftijd. De aanvragers verwijzen in dat kader naar:

  • Antwerpen 10 februari 1988, T.Not. 1989, 320: verschil van 20 jaar;
  • Rb. Turnhout 7 januari 2005, RAGB 2006, nr. 6, 60: verschil van 16 jaar;
  • Antwerpen 4 juni 2012, rolnr. 2010/R/3289, onuitg.: verschil van 14 jaar;
  • Antwerpen 30 juni 2015, T.Not. 2016, afl. 5, 364: verschil van 10 jaar.

Voor zoveel als nodig verwijzen de aanvragers nog naar enkele voorafgaande beslissingen waarin er sprake was van een gelijkaardig (of zelfs groter) leeftijdsverschil en waar de Vlaamse Belastingdienst van oordeel was dat dit leeftijdsverschil geen afbreuk doet aan de kansengelijkheid en dus dat er sprake was van een kanscontract onder bezwarende titel:

9.3.2.2. GELIJKE INLEG

Ten tweede doen de aanvragers elk een gelijke inleg in het kanscontract.

De beleggingsportefeuille behoort hen elk voor een gelijk deel toe, zodat hun respectievelijke inbrengen per definitie een gelijke waarde hebben.

9.3.2.3. BEWOORDINGEN VAN HET KANSCONTRACT

Ook uit de bewoordingen van het kanscontract zelf blijkt dat partijen een evenwichtig kanscontract wensen te sluiten:

- Een strikt vervreemdingsverbod (cfr. artikel 3 kanscontract).

Het is partijen niet toegestaan eenzijdig het contract stop te zetten, te wijzigen, de goederen in pand te geven, te vervreemden etc. Aanvullend, ter versterking van dit vervreemdingsverbod hebben partijen zich het verbod opgelegd om aan elkaar volmachten toe te staan. Elke daad van beheer of beschikking die gesteld wordt, zal met andere  woorden de expliciete en persoonlijke handeling van elke partij vereisen.

- Het kanscontract kan slechts worden beëindigd ofwel met wederzijds schriftelijk akkoord van alle partijen ofwel in geval de ontbindende voorwaarde uitwerking krijgt.

Het kanscontract zal bijgevolg onverkort gelden tussen partijen tenzij ze er, in gezamenlijk overleg, een einde aan stellen (cfr. artikel 7 kanscontract) of er een einde komt aan hun huwelijk dan wel dat zij meer dan zes maanden feitelijk gescheiden leven (cfr artikel 8 kanscontract).

9.3.2.4. BESLUIT

Uit al deze elementen samen, dient aldus te worden besloten dat het voorgenomen kanscontract ten bezwarende titel is.

9.4. INTENTIE VAN DE PARTIJEN: ANDERE DAN FISCALE MOTIEVEN

Tot slot wensen de aanvragers te wijzen op de niet-fiscale motieven die zij wensen te bewerkstelligen door het kanscontract af te sluiten.

De aanvragers wensen met name dat de omschreven goederen zullen toekomen aan de langstlevende van hen. Zij hebben daarbij de intentie om de langstlevende onder hen te beschermen bij het overlijden van de eerststervende en tegen de mogelijke aanspraken van ieders familie.

Deze doelstellingen kunnen niet op een andere wijze, bijvoorbeeld bij wijze van testament, bereikt worden (cfr. supra). Uit het herroepelijk karakter van een testament, vloeit immers voort dat elke aanvrager geen enkele zekerheid heeft dat de anderen de beschikkingen opgenomen in de hun testament zouden handhaven. Bovendien wordt een eventuele samenloop met andere erfgenamen - indien de wettelijke devolutie zou spelen - uitgesloten door het kanscontract. De aanvragers wensen echter vandaag zekerheid te bekomen dat de langstlevende van hen de beleggingsportefeuille zou verwerven op voorwaarde dat ieder van hen de kans heeft om effectief de beleggingsportefeuille te verwerven. Deze zekerheid kan geenszins gerealiseerd worden door middel van een testament. Deze zekerheid kan wel worden bekomen door middel van een kanscontract aangezien dat slechts  wijzigbaar is mits toestemming van beide partijen. Bovendien vermijden de echtgenoten dat de langstlevende in een eventuele samenloop komt met andere  erfgenamen.

Voor zover als nodig verwijzen de aanvragers nog naar enkele voorafgaande beslissingen waarin eveneens een kanscontract werd gesloten tussen echtgenoten die gehuwd waren zonder kinderen en waar de Vlaamse Belastingdienst van oordeel was dat er voldoende andere dan fiscale motieven aan de grondslag lagen van het aanwasbeding/kanscontract:

Gelet op het voorgaande, moet worden besloten dat er voldoende niet-fiscale motieven in casu aanwezig zijn en dat de vooropgestelde verrichting geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 3.17.0.0.2. VCF.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

10. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

11. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt, m.n. artt. 2.7.1.0.3, 2.7.1.0.5, 2.8.1.0.1, 2.8.4.1.1., §2, en 3.17.0.0.2 VCF:

- Artikel 2.7.1.0.3 VCF:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:
1° alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;
2° alle schuldbekentenissen van sommen die voorkomen als een contract onder bezwarende titel, maar die een bevoordeling inhouden en die niet aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen zijn onderworpen;
3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.

Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing bij de realisatie van een beding van terugval die de erflater heeft bedongen in het voordeel van een derde voor een vruchtgebruik dat de erflater zich heeft voorbehouden.”;

- Artikel 2.7.1.0.5 VCF:

“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”;

- Artikel 2.8.1.0.1 VCF:

“Overeenkomstig artikel 1, artikel 19 en artikel 31 van het federale Wetboek van Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten wordt de schenkbelasting gevestigd naar aanleiding van de registratie of de verplichting tot registratie van akten of geschriften die tot bewijs strekken van een schenking onder de levenden.”;

- Artikel 2.8.4.1.1, §2 VCF:

Ҥ 2. Het tarief van de schenkbelasting voor de schenkingen van roerende goederen bedraagt :

1° 3% voor een verkrijging in de rechte lijn en tussen partners;

2° 7% voor een verkrijging door alle andere personen.

Dat tarief is niet van toepassing op de schenkingen onder de levenden van roerende goederen die met legaten worden gelijkgesteld met toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3°.”;

- Artikel 3.17.0.0.2 VCF:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :
1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;
2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”.

12. De echtgenoten verklaren dat zij met betrekking tot de vermelde effectenportefeuille een kanscontract wensen af te sluiten.

13. Een beding van aanwas van niet-onverdeelde goederen bestaat theoretisch gezien niet. Wanneer het evenwel om een kanscontract (ten bezwarende en bijzondere titel) gaat, dan valt dit contract onder dezelfde fiscale regeling als een beding van aanwas, waarvoor onderstaande redenering kan worden gevolgd. In casu verklaren partijen dat zij voormelde effectenportefeuille onder het kanscontract te willen brengen.

14. Er wordt vanuit fiscaal oogpunt aanvaard dat de betrokken goederen in een beding van aanwas niet zijn onderworpen aan de erfbelasting of schenkbelasting (maar bij onroerende goederen wel aan het verkooprecht) mits het beding van aanwas, beperkt is via een beschikking onder bijzondere titel, en ten bezwarende titel is.

15. Het contract is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een evenredig deel van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een evenredig deel van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.

16. Het contract is in casu  onder bijzondere titel aangezien de overeenkomst betrekking heeft op de effectenportefeuille die specifiek in de overeenkomst wordt omschreven (cf. supra). De effectenportefeuille wordt beschouwd als een feitelijke universaliteit. Bijgevolg aanvaardt Vlabel dat het contract betrekking heeft op de effectenportefeuille in zijn geheel, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan de vereiste dat het contract onder bijzondere titel moet zijn.

17. Zaakvervanging is mogelijk binnen dergelijke contract. Het vervanggoed volgt dan dezelfde regels/bestemming als het goed dat het vervangt. Hetzelfde geldt voor meerwaarden.

In beide gevallen gelden volgende (bijkomende) voorwaarden:

  • er moet in de akte conventionele zaakvervanging voorzien worden;
  • als er zaakvervanging is, moet dit nog bevestigd worden op het moment van de verwerving van het nieuwe zaakvervangende goed.

Wat de effectenportefeuille betreft heeft de aanvaarding van de kwalificatie als feitelijke universaliteit tot gevolg dat er van rechtswege zaakvervanging optreedt. De overeenkomst zal dus uitwerking krijgen op de effectenportefeuille zoals deze zijn samengesteld op het ogenblik van het overlijden van één van de echtgenoten ongeacht de gewijzigde samenstelling hiervan ingevolge transacties van wederbeleggingen.

18. Het contract wordt aanzien als een kanscontract ten bezwarende titel wanneer de kansen evenwichtig zijn. Er wordt niet vereist dat de kansen gelijk zijn. Er dient wel sprake te zijn van een gelijkaardige levensverwachting van de betrokken partijen en er dient een gelijkwaardige inleg te zijn.

19. Een gelijkaardige levensverwachting kan niet enkel worden beoordeeld op basis van sterftetabellen maar kan ook worden beïnvloed door specifieke factoren zoals de gezondheidstoestand van de partijen, bepaalde activiteiten die ze uitvoeren, een overlijden dat kort volgt op het sluiten van het contract etc...

20. De gelijkaardigheid van de levensverwachting dient aanwezig te zijn bij het afsluiten van het contract. Het is evenwel mogelijk dat pas bij de realisatie van het contract blijkt dat bij het afsluiten van het contract niet aan deze voorwaarde was voldaan.

21. Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat er in casu sprake is van een gelijkaardige levensverwachting. De echtgenoten hebben een gelijkaardige leeftijd (63 jaar en 57 jaar) en zij verklaren beiden in dezelfde goede gezondheidstoestand te verkeren., wat wordt bevestigd door het bij de aanvraag gevoegd medisch attest.

22. De gelijkwaardigheid van inleg wordt beoordeeld bij het afsluiten van het contract, niet bij het realiseren van de opschortende voorwaarde (een goed kan in waarde stijgen of dalen).

23. Uit de gegevens vermeld in de aanvraag blijkt dat de inleg van de aanvragers op het ogenblik van het afsluiten van het contract gelijkwaardig is.

24. Op basis van de elementen en feiten vermeld in de aanvraag tot voorafgaande beslissing, kan worden besloten dat het in casu  om een kanscontract ten bezwarende titel gaat.

Enkel indien zou blijken dat de voorstelling van de feiten onjuist of onvolledig was, zal deze kwalificatie herzien worden, rekening houdende met de werkelijke feitelijke situatie.

25. Indien het contract is gesloten vanaf 1 juni 2012 kan het afgetoetst worden aan de anti-misbruikbepalingen. Het contract maakt geen fiscaal misbruik uit indien er ook niet-fiscale motieven aan ten grondslag liggen. Herkwalificatie is mogelijk indien de belastingplichtige niet kan aantonen dat de geviseerde verrichting(en) ook niet-fiscale doelstellingen hebben, en dat deze niet-fiscale doelstellingen voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

26. De voorgenomen verrichting maakt in principe geen fiscaal misbruik uit in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF aangezien er ook niet-fiscale motieven aan het kanscontract ten grondslag liggen, tenzij uit de feiten blijkt dat de kansen uiteindelijk niet gelijkwaardig waren omdat één van de partijen kort na het sluiten van het contract niet onverwacht is komen te overlijden.

 

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratie- en de erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

[top]

-----------

- publicatie op 08.01.2021
 

 

[1] R. BARBAIX, Handboek familiaal vermogensrecht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 344; W. PINTENS, B. VAN DER MEERSCH en K. VANWINCKELEN, Inleiding tot het familiaal vermogensrecht, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 415 e.v.; Antwerpen 30 juni 2015, T.Not 2016, afl. 5, 364.

[2] Antwerpen 10 februari 1988, T.Not.1989, 320; Rb. Turnhout 7 januari 2005, RAGB 2006, nr. 6, 60, noot D. MICHIELS.

[3] Rb. Turnhout 7 januari 2005, RAGB 2006, nr. 6, 60, noot D. MICHIELS.

[4] Antwerpen 4 juni 2012, rolnr. 2010/R/3289, onuitgegeven.

[5] Antwerpen 30 juni 2015, T.Not 2016, afl 5, 364: "Louter het feit dat appellante (°1967) tien jaar jonger was dan de heer V. (°1957) houdt niet in dat bij het aangaan van de overeenkomst in 2000 er een ongelijkheid van kansen bestond. Partijen hadden op dat moment een leeftijd van 33 resp. 43 jaar, die niet toeliet te voorspellen dat de ene meer kansen op vooroverlijden had dan de andere, gelet op de onzekerheden van het leven".