Inbreng OG in TIGV en schenking aan één van de kinderen

Voorafgaande beslissing nr. 20051 dd. 26.10.2020

Artt. 2.8.3.0.1; 2.8.4.1.1; 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvragers wensen met betrekking tot de voorgenomen verrichtingen de zekerheid te verkrijgen over de fiscale behandeling ervan, zowel bij leven, als bij overlijden, vooraleer zij deze wijzigingen doorvoeren. Zij wensen bevestiging te krijgen dat de inbreng van het onroerend goed in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, gevolgd door de schenking van de blote eigendom ervan aan hun dochter, hierna vermeld onder punt 3.1., de artikelen 2.8.3.0.1 § 1 en 2.8.4.1.1. §1 en §2 VCF niet frustreert, zodat er geen sprake is van fiscaal misbruik, overeenkomstig artikel 3.17.0.0.2 VCF.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door de heer […], te […], namens zijn cliënten:

2.1. De heer X. geboren te […] op xx.xx.1967, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […] en zijn echtgenote;

2.2. Mevrouw Y. geboren te […] op xx.xx.1967, houder van een Belgische identiteitskaart met rijksregisternummer […];

Beiden wonende te […].

3. De aanvragers zijn gehuwd op xx.xx.1994 te […]. Zij zijn op heden gehuwd onder het Belgische stelsel van scheiding van goederen ingevolge huwelijkscontract verleden voor notaris […], met standplaats te […], op xx.xx.1994. Het bevat een lijst van persoonlijke goederen van elk van de echtgenoten, die bij ontbinding van het stelsel naar de respectievelijke echtgenoot dienen terug te keren. De onverdeelde goederen zullen bij helften worden verdeeld, conform artikel 7 van het huwelijkscontract. Het huwelijksvermogensstelsel is sindsdien ongewijzigd gebleven. Er werden vier kinderen geboren uit het huwelijk van aanvragers:

3.1. Mevrouw A, geboren op xx.xx.1995, RR […];

3.2. Mevrouw B, geboren op xx.xx.1996, RR […];

3.3. Mevrouw C, geboren op xx.xx.1998, RR […];

3.4. De heer D, geboren op xx.xx.2002, RR […];

Allen wonende te […].

4. De betrokken onroerende goederen zijn twee onroerende goederen, gelegen te […].

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. Eerste verrichting: inbreng van onroerend goed in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen

De heer X is de enige eigenaar van twee onroerende goederen, gelegen te […].

Aanvragers wensen deze onroerende goederen in te brengen in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, dat zal worden geïmplementeerd in het bestaande stelsel van scheiding van goederen.

6. Tweede  verrichting: schenking  van de blote eigendom aan mevrouw A

De aanvragers wensen de blote eigendom van de goederen dat ingevolge de eerste verrichting gemeenschappelijk aan hen beiden toebehoort, te schenken aan hun dochter, mevrouw A, met de nodige modaliteiten en/of lasten zoals o.a. een fideï commis de residuo ten voordele van hun drie andere kinderen.

Het voorbehouden vruchtgebruik van de schenkers zal slechts uitdoven bij overlijden van de langstlevende van beide schenkers.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

7. De omzendbrief 2015/1 van 16 februari 2015 stelt dat de inbreng in een huwgemeenschap gevolgd door een schenking als fiscaal misbruik in de zin van artikel 3.17.0.0.2 VCF kan worden aanzien tenzij er niet-fiscale motieven kunnen worden aangetoond:

"Inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot, onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1,§ 1 en 2.8.4.1.1, § 1 en § 2 VCF)".

Deze zaak onderscheidt zich van voorafgaandelijke dossiers inzake "inbreng eigen goed gevolgd door een schenking", waarvoor reeds voorafgaande beslissingen werden gevraagd, door de specifieke situatie waarin aanvragers zich bevinden. In casu gebeuren de inbreng en de daaropvolgende schenking niet om fiscale redenen, maar vanuit een verzorgingsgedachte ten opzichte van de oudste dochter van aanvragers. (cf infra)

8. Vooraf

8.1. De heer X heeft vóór en tijdens het huwelijk een omvangrijk vermogen opgebouwd met o.a. verschillende onroerende goederen. Hij bezit tevens aandelenparticipaties in verschillende bedrijven, waarin hij een bestuurdersfunctie heeft.

18.2. Aanvragers hebben samen vier kinderen, allen voornoemd.

De oudste dochter van aanvragers, mevrouw A, heeft het syndroom van Down. Aanvragers dienden op xx.xx.2020 met het oog op een planning van hun vermogen een verzoekschrift in om A, wat betreft haar goederen, onder bewind te laten plaatsen. Hierin wordt gevraagd om aanvragers, als ouders, in eerste instantie als bewindvoerder aan te stellen.

18.3. Gelet op het (omvangrijke) vermogen van de heer X, de Covid 19-pandemie en hun wens om A verzorgd achter te laten, wensen zij op heden hun vermogen te plannen en over te dragen naar de volgende generatie, waarbij eerst aandacht wordt gegeven aan de (kwetsbare) positie van A binnen de planning. Zij wensen namelijk nu reeds het reservatair gedeelte van A veilig te stellen. De bedoeling van aanvragers is, nadat het reservatair erfdeel van A is veilig gesteld, een verdere planning uit te werken naar hun andere kinderen toe. Op deze manier kunnen aanvragers met een gerust gemoed daarna deze verdere planning uitwerken.

18.4. Zoals hierboven reeds wordt vermeld, is de heer X exclusieve eigenaar van enkele onroerende goederen, gelegen te […]. Het onroerend goed, gelegen te […], werd door de heer X, voor wat betreft de blote eigendom, aangekocht bij akte van xx.xx.2007. Zijn ouders kochten het vruchtgebruik. Bij akte van xx.xx.2008 verwierf de heer X de blote eigendom van het onroerend goed, gelegen te […]. Zijn ouders kochten opnieuw het vruchtgebruik.

In 2014, na het overlijden van de vader van de heer X, nam hij het vruchtgebruik over van zijn moeder en werd hij volle eigenaar van voormelde onroerende goederen. In xx.xx.2020 werden de afbraakwerken gestart, nadat de nodige stedenbouwkundige vergunningen werden verkregen, om op de grond vervolgens een appartementsblok neer te zetten.

19. Motieven voor de verrichtingen

Door de inbreng van het onroerend goed in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, wordt elke echtgenoot voor de helft eigenaar van het goed. Dit is van belang met het oog op de planning naar A toe omwille van volgende burgerrechtelijke redenen:

19.1. Vooraf: doelstelling van de planning

Het is, zoals hierboven reeds wordt vermeld, de bedoeling van aanvragers om een planning uit te werken naar al hun kinderen toe. Hierin is het niet zozeer de bedoeling om elk kind een gelijk (kwantitatief) deel te geven, maar om de toebedeling van de vermogensbestanddelen te laten aansluiten bij de interesses en talenten van elk kind.

De heer X is bestuurder in enkele vennootschappen en hij wenst deze toe te bedelen aan het kind/de kinderen die het meeste aanleg en interesse vertonen om deze vennootschappen verder te zetten. Vanwege de gezondheidstoestand van A is het echter niet mogelijk om haar bij het bestuur van deze vennootschappen te betrekken. Aanvragers willen omwille hiervan, zoals hierboven reeds wordt vermeld, in eerste instantie (i.e. vóórdat de planning naar de andere kinderen wordt uitgewerkt) het reservatair erfdeel van A veilig stellen, waarbij het voor hen belangrijk is dat A over voldoende, periodieke en standvastige inkomsten beschikt om in haar onderhoud en verzorging te voorzien.

Het schenken van een onroerend goed is volgens aanvragers hiertoe het meest geschikt, bv. door middel van verhuring van bepaalde eenheden in het gebouw. Indien bijvoorbeeld een effectenportefeuille zou worden geschonken, zijn de opbrengsten en meerwaarde eerder fluctuerend en afhankelijk van het beursklimaat.

Na het overlijden van A is het de wens van aanvragers dat de aan haar geschonken goederen naar hun andere kinderen doorvloeien, zodat het familiaal karakter van het goed gewaarborgd blijft, door de opname van een fideï commis de residuo in de schenkingsakte.

19.2. Doortrekken van de intentie achter het bewind

Zoals hierboven wordt aangegeven, heeft A het syndroom van Down, reden waarom aanvragers een aanvraag tot bewind hebben ingediend, waarin zij verzoeken om in eerste instantie gezamenlijk als bewindvoerder te worden aangesteld.

Beide aanvragers zijn nauw betrokken bij het leven van A en beheerden, zelfs vóór de aanvraag en instelling van het bewind, samen haar goederen. Zij nemen hierover samen de nodige beslissingen en betrekken A hier zo veel als mogelijk in. Deze situatie zal in het bewind kunnen worden doorgetrokken door aanvragers gezamenlijk als bewindvoerder aan te stellen, zodat zij samen beslissingen dienen te nemen over het vermogen van hun dochter.

Aanvragers wensen na de inbreng van bovenvermelde onroerende goederen de blote eigendom ervan te schenken aan A en zichzelf het vruchtgebruik voor te behouden, wat ook een verderzetting uitmaakt van de huidige situatie (en de intentie achter de aanvraag van verzoekers rond de bewindvoerders voor A). Als de heer X alleen de blote eigendom schenkt, komen de opbrengsten van het goed, volgens het huwelijkscontract met stelsel van scheiding van goederen, enkel aan hem toe. Mevrouw Y heeft in dit geval niets te zeggen over de huurinkomsten en hoe deze besteed moeten worden, omdat zij geen enkel recht kan laten gelden. Het is de bedoeling van aanvragers is dat de inkomsten door hen beiden samen kunnen worden gebruikt om in de verzorging van A te voorzien. Om deze reden is het aangewezen dat de huurinkomsten aan beide ouders, als vruchtgebruikers, toekomen. Tussen de aanvragers onderling wordt een aanwas van vruchtgebruik voorzien, zodat, bij het overlijden van de eerststervende ouder de langstlevende ouder het volledige vruchtgebruik krijgt, ook in het geval van echtscheiding. Aanvragers willen namelijk voorzien in een coherent en consequent geheel met als doel om (de langstlevende onder) hen beslissingen te kunnen laten nemen met betrekking tot de onroerende goederen in voordeel van A, ongeacht hun onderlinge relatie. Dit wordt mede aangetoond in de wijziging huwelijkscontract, waarin geen ontbindende voorwaarde werd ingevoegd dat tot gevolg zou hebben dat bij echtscheiding of overlijden de inbreng automatisch wordt teniet gedaan.

Daarnaast wensen aanvragers de blote eigendom te schenken, zodat zij, als vruchtgebruiker, de mogelijkheid hebben om bv. huurovereenkomsten voor de appartementen in het gebouw af te sluiten, zonder dat hiervoor machtiging van de vrederechter nodig is, wiens tussenkomst wel telkens nodig is indien de volle eigendom aan A wordt geschonken. Aanvragers vinden dit psychologisch belastend voor A, omdat dit iedere keer aanleiding geeft tot een zitting, waarop zij zou kunnen worden opgeroepen. Bovendien kan er veel sneller gehandeld worden indien geen machtiging nodig is tijdens het leven van de aanvragers en is dit aldus economisch efficiënter.

19.3. Controle over de modaliteiten van de schenking

Aanvragers wensen dat elk van hen de controle heeft over de naleving van de modaliteiten van de latere schenking, wat als niet-fiscaal motief wordt aanvaard in de voorafgaande beslissing nr. 17013 dd. 29 mei 2017:

"Aan de schenking zullen bovendien een aantal voorwaarden gekoppeld worden (...). Wanneer uit het gemeenschappelijk vermogen geschonken wordt, kunnen deze voorwaarden ten aanzien van beide echtgenoten bedongen worden. (...)

Het is dus om burgerrechtelijke redenen noodzakelijk dat het goed eerst wordt ingebracht en pas daarna wordt geschonken.

(...).”.

[top]

IV. Beslissing

(…)

Uit de modaliteiten van de voorgenomen verrichting blijkt dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking verantwoord is door andere dan fiscale motieven.

De antimisbruikbepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF is bijgevolg niet van toepassing.".

Indien de heer X alleen zou schenken, wat het geval is indien vandaag wordt geschonken, heeft hij als enige de controle over de naleving van de modaliteiten en lasten die, met het welzijn van A in het achterhoofd, aan de schenking worden gekoppeld. Mevrouw Y heeft tijdens het leven van de heer X geen enkel recht op het geschonken goed, terwijl zij wel samen met hem de verzorging van A op zich neemt en samen met hem bewindvoerder zal zijn. Zo kan de schenking bv. enkel door de heer X worden ontbonden wegens schending van een last of modaliteit en niet door mevrouw Y. Dit wordt niet geremedieerd door het opnemen  en uitwerken van een terugval van vruchtgebruik in de schenkingsakte, want dan heeft mevrouw Y

nog steeds geen rechten tijdens het leven van de heer X. Ook het schenken van de helft van het vruchtgebruik door de heer X aan mevrouw Y is, gelet op de herroepbaarheid van schenkingen tussen echtgenoten (art. 1096 BW.), geen oplossing, want mevrouw Y loopt op elk moment het risico dat de schenking van (de helft van) het vruchtgebruik wordt herroepen, met als gevolg zij daarna geen enkel recht meer kan laten gelden op het geschonken goed, wat niet aansluit bij de bedoeling van aanvragers dat ze beiden rechten op het goed kunnen laten gelden, ongeacht hun onderlinge relatie.

De enige manier om te garanderen dat beide aanvragers op de naleving van de modaliteiten (zoals bv. recht van terugkeer, ...) kunnen toezien, is wanneer het onroerend goed eerst wordt ingebracht in een gemeenschappelijk vermogen, zodat van daaruit kan worden geschonken en de schenkers bijgevolg vanaf hetzelfde moment over dezelfde mogelijkheden beschikken, wat aansluit bij de wijze waarop het bewind over A georganiseerd is. Het ingebrachte goed kan, in het geval bv. het recht van terugkeer in de schenking uitwerking krijgt en het goed terugkeert naar het toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen, dan ook niet terugkeren naar het eigen vermogen van de heer X, tenzij met instemming van beide aanvragers in een nieuwe wijziging van het huwelijkscontract, zodat ook op dat moment beide aanvragers nog steeds samen beslissingen met betrekking tot het goed kunnen nemen.

Ook voor A is het belangrijk dat de ouders samen aan haar kunnen schenken. Op vandaag is het namelijk zo dat zij, samen met haar beide ouders, beslissingen neemt over haar goederen, daar het steeds de bedoeling van aanvragers is geweest om A in de mate van het mogelijke in alles te betrekken en haar zo zelfstandig mogelijk te laten zijn. Op deze manier komt de juridische realiteit door de schenking door beide ouders voor A psychologisch overeen met de huidige situatie, nl. dat beide ouders samen met haar beslissingen nemen. Dit is ook de reden waarom aanvragers hebben verzocht om beiden als bewindvoerder te worden aangesteld (cf. supra ).

Het is aldus om niet-fiscale redenen noodzakelijk dat het onroerend goed eerst wordt ingebracht en pas daarna wordt geschonken.

20. Tijdstip van de inbreng in een toegevoegd intern gemeenschappelijk vermogen

20.1. In verschillende voorafgaande beslissingen[1] wordt gesteld dat er eenheid van opzet aanwezig is wanneer de inbreng van een goed in een huwvermogen onmiddellijk of kort erna gevolgd wordt door de schenking ervan door beide echtgenoten.

In casu is er echter geen eenheid van opzet aanwezig en ligt er aldus geen schending voor van artikelen 2.8.3.0.1, §1, VCF en 2.8.4.1.1, §1 en §2, VCF.

20.2. Zoals hierboven wordt vermeld, werd de heer X pas in 2014 volle eigenaar van het onroerend goed te […]. In xx.xx.2020 werden, na het verkrijgen van de nodige vergunningen, de afbraakwerken gestart en binnenkort zal de bouw van een appartementsgebouw worden aangevat. Het huidige (Covid 19) klimaat leek aanvragers het juiste moment om dergelijk project te ontwikkelen zodat er na de pandemie kan worden verhuurd. Daarvóór wisten aanvragers niet of het oprichten van een appartementsgebouw een goede investering zou zijn.

20.3. Daarnaast zijn aanvragers op een punt in hun leven gekomen waarop zij een aanvang willen nemen met het uitwerken van een planning naar hun kinderen toe. De heer X is bestuurder en aandeelhouder in verschillende vennootschappen. Vanwege de gezondheidstoestand van A is het echter niet mogelijk om haar hierin te betrekken. Aanvragers willen haar positie in eerste instantie veilig stellen en beschermen, zodat daarna de planning naar hun andere kinderen toe kan worden uitgewerkt.

Het is bovendien de wens van aanvragers dat bepaalde ruimtes in het gebouw een sociaal oogmerk krijgen, zodat dit aansluit op de (sociale) noden van A, wat aansluit bij de doelstelling dat aan elk kind goederen worden toebedeeld die aansluit bij hun interesses, noden en talenten. Daarnaast zou A op termijn ook in het gebouw kunnen wonen door middel van een kangoeroewoning of begeleid wonen, indien dit op een bepaald ogenblik wenselijk zou zijn. Het is in elk geval hun bedoeling om A bij het project te betrekken, zodat het perfect aansluit op haar noden.

21. Geen misbruik

21.1. De algemene antimisbruikbepaling kan slechts worden toegepast indien de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het wetboek, de simulatieleer en de specifieke fiscale misbruikbepalingen (de zogenaamde fictiebepalingen) geen toepassing vinden.

21.2. Ook het Grondwettelijk Hof stelt dat de algemene antimisbruikbepaling niet kan worden ingeroepen indien bepaalde verrichtingen al vallen onder een specifieke antimisbruikbepaling. Enkel wanneer bepaalde verrichtingen as such niet onder het toepassingsgebied van een specifieke fiscale misbruikbepaling vallen, maar wel de doelstellingen van een specifieke antimisbruikmaatregel frustreren, kan de algemene antimisbruikbepaling wel worden aangewend.

21.3. Geen van de door de aanvragers overwogen verrichtingen frustreren echter enige toepasselijke specifieke antimisbruikbepaling. Evenmin kan, gelet op het bovenstaande, de algemene antimisbruikbepaling worden aangewend. De aanvragers verzoeken om dit te bevestigen, op grond van de hierna uiteengezette niet-fiscale motieven:

Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvragers de voorgenomen verrichtingen overwegen omwille van niet-fiscale motieven. Zij verzoeken dan ook te bevestigen dat er omwille van deze niet-fiscale motieven hoe dan ook geen sprake kan zijn van fiscaal misbruik met betrekking tot de twee voorgenomen verrichtingen die ze voorleggen, en dat de algemene antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF niet toepasselijk is.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:

22. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerlijk vlak.

23. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt, m.n. artt. 2.8.3.0.1, 2.8.4.1.1., §1 en §2, en 3.17.0.0.2 VCF.

24. ln de omzendbrief VLABEL/2015/1 van 16 februari 2015 worden volgende rechtshandelingen als fiscaal misbruik beschouwd, tenzij de belastingplichtige bewijst dat de keuze voor de rechtshandeling of het geheel van  rechtshandelingen verantwoord is door andere dan fiscale motieven:

“Inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten (gaat in tegen de heffingsgrondslag en de progressiviteit van de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF).

Er kan worden vermoed dat de inbreng van een goed in het gemeenschappelijk vermogen door één echtgenoot onmiddellijk of binnen een korte tijdspanne gevolgd door de schenking van dit goed door beide echtgenoten aan bv. hun enig kind enkel gebeurt om de progressiviteit van de schenkbelasting te ontwijken; dat het bekomen van een aanzienlijke belastingbesparing de enige beweegreden is voor de keuze van de betrokken rechtshandeling. Dergelijke constructie gaat in tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF. Er is bijgevolg sprake van fiscaal misbruik in de zin van art. 3.17.0.0.2 VCF.

De belastingplichtige dient te bewijzen dat de keuze voor de inbreng in het gemeenschappelijk vermogen voorafgaand aan de schenking verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van hogere schenkbelastingen.

lndien de belastingplichtige dit bewijs niet levert, dient de schenkbelasting te worden geheven alsof de inbreng niet had plaatsgevonden, m.a.w. berekening van de schenkbelasting op de schenking door de inbrengende echtgenoot aan het kind voor de geheelheid van het goed.".

25. Op de voorgenomen verrichtingen zal de anti-misbruikbepaling van art. 3.17.0.0.2 VCF worden toegepast daar eenheid van opzet wordt vermoed gelet op de tijdspanne tussen de inbreng van het onroerend goed en de geplande schenking en de aanvragers niet aantonen dat de voorgenomen verrichtingen ingegeven zijn door niet-fiscale motieven die voldoende opwegen tegen de fiscale motieven.

26. De begiftigde, mevrouw A, vermeld onder punt 3.1., is reeds 25 jaar. Aanvragen om onder de bescherming te vallen voor meerderjarigen, kunnen ingediend worden zodra de te beschermen persoon de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt. In casu werd de beschermingsregeling aangevraagd bij verzoekschrift op xx.xx.2020.

Er kon dus eerder een planning worden uitgewerkt om ervoor te zorgen dat A verzorgd achter blijft.

27. Bovendien zijn er meerdere planningstechnieken mogelijk om de financiële toekomst van een zorgenkind veilig te stellen:

  • een schenking of legaat met last, bestaande uit (bijvoorbeeld) aan het zorgenkind periodiek een bepaalde uitkering of rente te betalen;
  • een erfovereenkomst;
  • de oprichting van een private stichting.

Deze planningstechnieken beletten niet dat het beheer van A’s goederen door beiden ouders, als bewindvoerders gebeurt. Evenmin beletten ze dat A bij dit beheer wordt betrokken.

De verzorging van A en het beheer van haar goederen gebeurde tot op heden ook door beide ouders zonder dat er een schenking aan A met voorbehoud van vruchtgebruik nodig was.

28. De aangehaalde VB nr. 17013 van 29 mei 2017 betreft de overgang door de echtgenoten naar een stelsel van algehele gemeenschap van goederen wat hier duidelijk niet het geval is.

29. De ingeroepen niet fiscale motieven zijn geen valabel argumenten om het vermoeden van fiscaal misbruik te weerleggen.

Door het onroerend goed kort voor de schenking in te brengen in de huwelijksgemeenschap wordt ingegaan tegen de artikelen 2.8.3.0.1, §1 en 2.8.4.1.1, §1 en §2 VCF, m.n. de progressiviteit in de schenkbelasting. Bijgevolg zal de schenkbelasting worden geheven alsof de inbreng niet heeft plaatsgevonden.

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

-----------

- publicatie op 07.01.2021