Ontbinding maatschap-verdeling-beding van aanwas

Voorafgaande beslissing nr. 20046 dd. 12.10.2020

Artt 2.7.1.0.1; 2.7.1.0.2; 2.7.1.0.3; 2.7.1.0.5; 2.7.1.0.6; 2.7.1.0.7; 2.7.1.0.8; 2.7.1.0.9; 3.17.0.0.2 VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe de bevestiging te krijgen dat de hierna uiteengezette verrichtingen, te stellen door twee ouders-echtgenoten en hun vier gezamenlijke kinderen, individueel beschouwd dan wel als geheel van verrichtingen beschouwd, noch bij overlijden van de eerststervende ouder noch bij overlijden van de langstlevende ouder, noch desgevallend bij gelijktijdig overlijden van de beide ouders, aan erfbelasting zullen worden onderworpen:

  • op grond van artikel 2.7.1.0.1 VCF;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.5 VCF;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.6 VCF;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.7 VCF;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.8 VCF, althans mits effectieve uitvoering van de tegenprestaties, post factum te beoordelen, zoals verder uiteengezet;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.9 VCF;
  • op grond van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF;
  • op grond van enige andere bepaling;

telkenmale al dan niet in combinatie met artikel van de 3.17.0.0.2 VCF.

2. De beoogde verrichtingen zijn als volgt – in chronologische volgorde:

(i)         de tussen partijen bestaande maatschap naar Belgisch recht ‘Z’ wordt in onderling overleg ontbonden;

(ii)        tussen partijen wordt een nieuwe onverdeeldheid gecreëerd, waar de ouders bijkomend tegoeden in onderbrengen;

(iii)       het onverdeeld deel dat de ouders samen in volle eigendom in de nieuwe onverdeeldheid bezitten, wordt omgezet in vruchtgebruik over de totaliteit van het onverdeeld vermogen; het onverdeeld deel dat de kinderen samen in volle eigendom in de nieuwe onverdeeldheid bezitten, wordt omgezet in de blote eigendom van de totaliteit van het onverdeeld vermogen; bij overlijden van één ouder zal zijn of haar vruchtgebruik aanwassen in het voordeel van de langstlevende van hen;

(iv)       middels onderhandse overeenkomst dan wel via akte te verlijden voor Nederlands notaris worden tot slot enkele verduidelijkingen en aanpassingen aangebracht aan een akte schenking uit 2011 op grond waarvan ‘delen’ in het maatschapsvermogen werden geschonken.

 

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II.A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

3. De aanvraag wordt ingediend door […] in naam van:

(i)         de heer X, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1952, identificatienummer van het Rijksregister: […], wonende te […];

(ii)        mevrouw Y, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1955, identificatienummer van het Rijksregister: […], wonende te […];

(iii)       mevrouw A, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1983, identificatienummer van het Rijksregister: […], wonende te […];

(iv)       mevrouw B, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1985, identificatienummer van het Rijksregister: […], wonende te […];

(v)        de heer C, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1987, identificatienummer van het Rijksregister: […], wonende te […];

(vi)       de heer D, van Belgische nationaliteit, geboren te […] op xx.xx.1995, identificatienummer van het Rijksregister: […], wonende te […].

Samen worden zij hierna de “Aanvragers” genoemd.

4. X en Y zijn met elkaar gehuwd voor de ambtenaar van de Burgerlijke Stand te […] op xx.xx.1982 onder het wettelijk huwelijksvermogensstelsel naar Belgisch recht, bij ontstentenis van een huwelijkscontract.  Zij hebben hun huwelijkse voorwaarden naderhand twee maal gewijzigd, telkenmale evenwel zonder als dusdanig een ander huwelijksvermogensstelsel aan te nemen:

  • een eerste maal bij akte verleden voor meester […], notaris te […], op xx.xx.1989, naderhand gehomologeerd bij vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te […] op xx.xx.1989, zoals vastgesteld bij akte sluiting vereffening verleden voor meester […], voornoemd, op xx.xx.1989;
  • een tweede maal bij akte verleden voor meester […], notaris te […], op xx.xx.2011.

5. A is de oudste dochter van de echtgenoten X-Y.  Zij is gehuwd met de heer […].

B is de jongste dochter van de echtgenoten X-Y.  Zij is wettelijk samenwonend met de heer […].

C is de oudste zoon van de echtgenoten X-Y.  Hij is gehuwd met mevrouw […].

D is de jongste zoon van de echtgenoten X-Y.  Hij is niet gehuwd en evenmin wettelijk samenwonend.

De echtgenoten X-Y hebben geen andere kinderen dan A, B, C en D.

II. B. 1. Beschrijving van de antecedenten

6. Op xx.xx.2011 hebben de echtgenoten X-Y samen met hun destijds meerderjarige kinderen A, B en C een burgerlijke maatschap naar Belgisch recht opgericht, onder de benaming ‘[…]’ (hierna de “Maatschap” genoemd).  In de Maatschap werden door de oprichters liquiditeiten en effecten ingebracht, met een globale waarde in een grootte-orde van € 1.960.000,00 (één miljoen negenhonderd zestig duizend euro).

7. Na oprichting werden op naam van de Maatschap rekeningen geopend bij […], waarnaar de ingebrachte tegoeden werden overgeboekt.  Aldus werd middels de Maatschap een familiaal roerend vermogen beheerd, bestaande uit een gediversifieerde, uit liquiditeiten en effecten bestaande beleggingsportefeuille, aangehouden op rekeningen geopend bij […].  Dit is nog steeds de situatie op heden.

8. Bij de oprichting werden de statuten van de Maatschap (hierna de “Statuten” genoemd) vastgelegd.  Een kopie van de oprichtingsovereenkomst van de Maatschap, die de Statuten bevat, wordt als een eerste bijlage aan onderhavige aanvraag gehecht.  Deze Statuten zijn op heden nog actueel, onder voorbehoud evenwel:

  • van een aanpassing van artikel 1 bij beslissing van een algemene vergadering van de vennoten dd. xx.xx.2019 (zie randnummer 11); en
  • van een aanpassing van artikel 9.1 bij beslissing van een algemene vergadering van de vennoten dd. xx.xx.2019 (toevoeging van een tweede zin aan artikel 9.1, tweede alinea).

9. De Maatschap werd opgericht voor een bepaalde duur die van rechtswege zal verstrijken bij het overlijden van de langstlevende van X en Y (cf. artikel 3 van de Statuten).

10. Het beheer van de Maatschap berust statutair bij X en Y.  De beheersregeling werd opgenomen in artikel 9 van de Statuten.

Artikel 9 van de Statuten, zoals aangevuld op xx.xx.2019 (zie randnummer 8), luidt integraal als volgt:

“9.1       De Maatschap wordt beheerd door één of meer beheerders (de “Beheerders”, afzonderlijk een “Beheerder”).  De Beheerders worden in de Statuten aangesteld, en zijn al dan niet vennoot bij de Maatschap.

Elke Beheerder afzonderlijk vertegenwoordigt en verbindt de vennoten, mits hij handelt binnen de grenzen van zijn mandaat.  Het door een vennoot aan de Beheerders verleende mandaat wordt niet beëindigd in geval van wilsonbekwaamheid van de betrokken vennoot.

9.2        De Beheerders oefenen hun mandaat uit ‘als een goed huisvader’, in het gezamenlijk belang van de vennoten, en in overeenstemming met de Statuten.  Telkens een Beheerder ten aanzien van derden optreedt in zijn hoedanigheid van Beheerder, maakt hij hiervan melding.

9.3        Het mandaat van Beheerder is onherroepelijk.  Evenwel vervalt het mandaat van een Beheerder ingeval hij zich in staat van geestelijk onvermogen bevindt, alsdan desgevallend beperkt tot de duurtijd hiervan.  De staat van geestelijk onvermogen alsook, desgevallend, de beëindiging hiervan, worden vastgesteld door 2 (twee) onafhankelijke medische deskundigen, aangesteld door hetzij de voorzitter van de nationale raad van de Orde van Geneesheren, hetzij een door deze aangewezen persoon.

9.4        Bij oprichting van de Maatschap worden als statutaire Beheerders aangesteld: X, die aanvaardt, en Y, die aanvaardt.

Indien de Maatschap, om enige reden, op enig ogenblik gedurende haar duurtijd, zonder Beheerder zou zijn aangesteld overeenkomstig de vorige alinea, zal zij, gedurende de periode waarin zij aldus zonder Beheerder zou zijn, beheerd worden door A, door B, door C en, doch ten vroegste vanaf xx.xx.2013, door jongeheer D, bij ondertekening van de Oprichtingsovereenkomst wonende te […] (“D”).  Aldus worden A, B, C en D aangesteld als opvolgend statutair Beheerder van de Maatschap – wat D betreft, ten vroegste vanaf xx.xx.2013.  In afwijking van de tweede alinea van artikel 9.1, zullen zij alsdan de vennoten slechts op rechtsgeldige wijze vertegenwoordigen en verbinden middels hun gezamenlijke handtekeningen (‘meerhandtekeningsclausule’) – waarbij zij elkaar weliswaar wederzijds volmacht zullen kunnen verlenen.  Deze ‘meerhandtekeningsclausule’ zal alsdan echter niet gelden voor courante (beheers)verrichtingen met een financiële tegenwaarde van maximum € 1.000,00 (duizend euro).  Voor dergelijke courante (beheers)verrichtingen blijft de tweede alinea van artikel 9.1 alsdan onverkort van toepassing.

9.5        De Beheerders zijn exclusief, en met uitsluiting van de vennoten die geen Beheerder zijn, bevoegd om alle daden van beheer en de hierna omschreven daden van beschikking te stellen met betrekking tot het Vermogen, in zoverre zij nodig of nuttig zijn voor de verwezenlijking van het doel van de Maatschap en van het oogmerk dat de vennoten gezamenlijk voor ogen hebben.

De Beheerders zijn onder meer bevoegd om de volgende daden van beheer – in zoverre zij als zodanig worden beschouwd – te stellen:

  • het innen van inkomsten;
  • het herbeleggen van op vervaldag gekomen roerende goederen of waarden;
  • het doorstorten van niet-gereserveerde inkomsten aan de vennoten;
  • het in rechte vertegenwoordigen van de vennoten;
  • het openen en opzeggen van één of meer rekeningen in naam van de Maatschap;
  • het vervreemden met het oog op (weder)belegging, het beleggen en het wederbeleggen van bestanddelen die deel uitmaken van het Vermogen;
  • het uitoefenen van alle rechten, onder meer het stemrecht, verbonden aan aandelen die, desgevallend, deel uitmaken van het Vermogen.

Onverminderd de bevoegdheden desgevallend aan de Beheerders toegekend op grond van andere bepalingen van de Statuten, wordt hun uitdrukkelijk bevoegdheid verleend om de hiernavolgende daden van beschikking – in zoverre zij als zodanig worden beschouwd – te stellen:

  • het vervreemden met het oog op (weder)belegging, het beleggen en het wederbeleggen van bestanddelen die deel uitmaken van het Vermogen, zelfs wanneer deze bestanddelen een substantieel deel van het Vermogen uitmaken;
  • het uitoefenen van alle rechten, onder meer het stemrecht, verbonden aan aandelen die, desgevallend, deel uitmaken van het Vermogen.

Alle beheersverrichtingen dienen op girale wijze te geschieden.  Het is de Beheerders bovendien niet toegestaan om in het eigen voordeel afnames te verrichten uit het Vermogen, behoudens indien en in de mate zij daartoe op rechtsgeldige, schriftelijke wijze zouden gemachtigd zijn.

9.6        Behoudens, desgevallend, de terugbetaling van werkelijk gemaakte en bewezen kosten, ontvangen de Beheerders geen vergoeding voor de uitoefening van hun mandaat.

9.7        De Beheerders kunnen, met behoud van aansprakelijkheid, werkzaamheden van administratieve aard, geheel of gedeeltelijk, laten uitvoeren door een lasthebber, al dan niet tegen vergoeding.

De Beheerders kunnen zich tevens, met behoud van aansprakelijkheid, in het beheer van de Maatschap laten bijstaan door professionele, door de toezichthoudende overheid erkende derden (‘adviserend beheer’), in de mate het beheer van de Maatschap ‘als een goed huisvader’ een dergelijke bijstand vergt.

De Beheerders kunnen tenslotte, met behoud van aansprakelijkheid, het beheer van het Vermogen geheel of ten dele uitbesteden aan professionele, door de toezichthoudende overheid erkende derden (‘discretionair beheer’), in de mate het beheer van de Maatschap ‘als een goed huisvader’ een dergelijke uitbesteding vergt.

9.8        De Beheerders bewaren alle documenten betreffende het Vermogen.  Iedere vennoot heeft te allen tijde het recht om op eenvoudig verzoek deze documenten in te kijken.”.

11. De wijziging van artikel 1 van de Statuten op 26 februari 2019 was een gevolg van de beslissing van de algemene vergadering van de vennoten om de benaming van de Maatschap te wijzigen van ‘[…]’ in ‘Z’.

12. Na en ingevolge de oprichting van de Maatschap waren de eigendomsverhoudingen binnen de Maatschap als volgt:

(i)         X was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 49,985% (negenenveertig procent negenhonderd vijfentachtig duizendsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde (weliswaar behorende tot de tussen hem en Y bestaande huwelijksgemeenschap);

(ii)        Y was volle eigenares van een ‘deel’ dat 49,985% (negenenveertig procent negenhonderd vijfentachtig duizendsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde (weliswaar behorende tot de tussen haar en X bestaande huwelijksgemeenschap);

(iii)       A was volle eigenares van een ‘deel’ dat 0,01% (nul procent één honderdste) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(iv)       B was volle eigenares van een ‘deel’ dat 0,01% (nul procent één honderdste) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(v)        C was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 0,01% (nul procent één honderdste) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde.

13. Op xx.xx.2011 gingen X en Y over tot een schenking van ‘delen’ aan hun vier kinderen, als volgt:

  • aan A werd geschonken: een ‘deel’ ad 24,49% (vierentwintig procent negenenveertig honderdsten) in het maatschapsvermogen;
  • aan B werd geschonken: een ‘deel’ ad 24,49% (vierentwintig procent negenenveertig honderdsten) in het maatschapsvermogen;
  • aan C werd geschonken: een ‘deel’ ad 24,49% (vierentwintig procent negenenveertig honderdsten) in het maatschapsvermogen;
  • aan D werd geschonken: een ‘deel’ ad 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen – zij het onder de opschortende voorwaarde van het bij leven bereiken van de leeftijd van 18 (achttien) jaar, met andere woorden, van het nog in leven zijn op xx.xx.2013.

Deze schenking, met inbegrip van haar modaliteiten (zie randnummer 16), wordt hierna de “Schenking” genoemd.  De akte dd. xx.xx.2011 houdende de Schenking wordt hierna de “Schenkingsakte” genoemd.  Een kopie van de Schenkingsakte wordt als een tweede bijlage aan onderhavige aanvraag gehecht.  Per begiftigde had de Schenking een waarde in een grootte-orde van € 480.000,00 (vierhonderd tachtig duizend euro).

Wat D betreft, nog minderjarig op datum van de Schenking, werd de Schenking, bij toepassing van artikel 935, derde alinea van het Burgerlijk Wetboek (hierna het “BW” genoemd), in zijn naam en voor zijn rekening aanvaard door zijn grootmoeder aan moederszijde.

Na en ingevolge de Schenking waren de eigendomsverhoudingen binnen de Maatschap als volgt:

(i)         X was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 13,25% (dertien procent vijfentwintig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde (weliswaar behorende tot de tussen hem en Y bestaande huwelijksgemeenschap);

(ii)        Y was volle eigenares van een ‘deel’ dat 13,25% (dertien procent vijfentwintig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde (weliswaar behorende tot de tussen haar en X bestaande huwelijksgemeenschap);

(iii)       A was volle eigenares van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(iv)       B was volle eigenares van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(v)        C was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde.

14. Op xx.xx.2013 werd D 18 (achttien) jaar, waardoor de hiervóór vermelde opschortende voorwaarde vervuld werd.  Na en ingevolge de vervulling van deze opschortende voorwaarde waren de eigendomsverhoudingen binnen de Maatschap als volgt – met terugwerkende kracht tot xx.xx.2011:

(i)         X was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 1% (één procent) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde (weliswaar behorende tot de tussen hem en Y bestaande huwelijksgemeenschap);

(ii)        Y was volle eigenares van een ‘deel’ dat 1% (één procent) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde (weliswaar behorende tot de tussen haar en X bestaande huwelijksgemeenschap);

(iii)       A was volle eigenares van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(iv)       B was volle eigenares van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(v)        C was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde;

(vi)       D was volle eigenaar van een ‘deel’ dat 24,50% (vierentwintig procent vijftig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigde.

15. Bij overeenkomst tussen de vennoten dd. xx.xx.2019 is C gedeeltelijk uit de Maatschap getreden, waardoor zijn ‘deel’ in het maatschapsvermogen kleiner werd en het ‘deel’ van de overige vennoten groter werd.  Na en ingevolge deze uittreding zijn de eigendomsverhoudingen binnen de Maatschap als volgt – ongewijzigd tot op heden:

(i)         X is volle eigenaar van een ‘deel’ dat 1,05% (één procent vijf honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigt (weliswaar behorende tot de tussen hem en Y bestaande huwelijksgemeenschap);

(ii)        Y is volle eigenares van een ‘deel’ dat 1,05% (één procent vijf honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigt (weliswaar behorende tot de tussen haar en X bestaande huwelijksgemeenschap);

(iii)       A is volle eigenares van een ‘deel’ dat 25,69% (vijfentwintig procent negenenzestig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigt;

(iv)       B is volle eigenares van een ‘deel’ dat 25,69% (vijfentwintig procent negenenzestig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigt;

(v)        C is volle eigenaar van een ‘deel’ dat 20,83% (twintig procent drieëntachtig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigt;

(vi)       D is volle eigenaar van een ‘deel’ dat 25,69% (vijfentwintig procent negenenzestig honderdsten) in het maatschapsvermogen vertegenwoordigt.

Deze nieuwe eigendomsverhoudingen werden berekend toepassing makend van ‘de regel van drie’ (proportionaliteit).

16. Aan de Schenking werden diverse modaliteiten verbonden, in essentie:

  • de Schenking geschiedde in volle eigendom en als voorschot op erfdeel;
  • zij werd, enkel wat D betreft, verricht onder de opschortende voorwaarde van het bereiken van de leeftijd van 18 (achttien) jaar;
  • zij werd verricht onder een conventioneel recht van terugkeer voor het geval van vooroverlijden van de begiftigde, met of zonder afstammelingen in leven; dit beding van terugkeer werd optioneel geformuleerd;
  • zij werd verricht onder de ontbindende voorwaarde van het inleiden door een schuldeiser, jegens de Begiftigde, als schuldenaar, borgsteller of in een andere hoedanigheid, van een vordering tot uitwinning; ook deze ontbindende voorwaarde werd optioneel geformuleerd;
  • zij werd verricht onder last voor de begiftigden om aan de schenkers een rente te betalen, als volgt:
    • € 9.600,00 (negenduizend zeshonderd euro) per halfjaar door elke begiftigde aan de schenkers te betalen, telkenmale op de eerste bankwerkdag van januari en juli;
    • het bedrag van de rente is indexeerbaar op basis van de evolutie van het Belgisch gezondheidsindexcijfer;
    • de rente is slechts betaalbaar op verzoek, geheel of gedeeltelijk, desgevallend in schijven, en het recht op betaling ervan vervalt van rechtswege één jaar na het opeisbaar worden;
    • het recht op de rente vervalt sowieso van rechtswege bij het overlijden van de eerststervende schenker;
    • de begiftigden hebben het recht om van de schenkers te eisen dat het desgevallend opgevraagde bedrag, althans gedurende het bestaan van de maatschap, volledig wordt opgenomen uit het aandeel van de begiftigden in de inkomsten en, indien deze ontoereikend zouden zijn, wordt aangerekend op de toekomstige inkomsten;
  • via een combinatie van een uitdrukkelijk beding in de Schenkingsakte en de toepassing van (oud) artikel 858bis BW zou, bij overlijden van de eerststervende schenker, de (vervallen) rente vervangen worden door een levenslang vruchtgebruik in het voordeel van de langstlevende schenker, op het volledig voorwerp van de Schenking;
  • aan de Schenking was een uitsluitingsbeding en een vervreemdingsverbod gekoppeld;
  • de kosten, rechten en erelonen werden ten laste genomen door de schenkers.

Waar dit aan de orde was, werd telkenmale een beding van zaakvervanging opgenomen.

17. Op xx.xx.2019 werd de Maatschap ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen (hierna de “KBO” genoemd), initieel onder de benaming ‘[…]’, naderhand onder de nieuwe benaming ‘Z’.  Zij kreeg het ondernemingsnummer […] toegewezen.

II. B. 2. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

II. B. 2.  1) Overzicht

18. De Maatschap wordt in onderling overleg ontbonden.  Vervolgens wordt tussen de Aanvragers een nieuwe onverdeeldheid gecreëerd, waar de echtgenoten X-Y bijkomend tegoeden in onderbrengen, en waarin eenieder een onverdeeld deel in volle eigendom verkrijgt.  En daaropvolgend wordt het onverdeeld deel dat de ouders samen in volle eigendom in de nieuwe onverdeeldheid bezitten, omgezet in vruchtgebruik over de totaliteit van het onverdeeld vermogen, en wordt het onverdeeld deel dat de kinderen samen in volle eigendom in de nieuwe onverdeeldheid bezitten, omgezet in de blote eigendom van de totaliteit van het onverdeeld vermogen; bij overlijden van één ouder zal zijn of haar vruchtgebruik aanwassen in het voordeel van de langstlevende van hen.

Dit (nieuwe) onverdeeld vermogen zal bestaan uit een gediversifieerde, uit liquiditeiten en effecten bestaande beleggingsportefeuille.

De beleggingsportefeuille die aldus in vruchtgebruik zal toebehoren aan de echtgenoten X-Y en in blote eigendom aan de vier kinderen […], vormt – en zal, voor zover als nodig, worden gekwalificeerd als – een ‘universaliteit’ of ‘algemeenheid van goederen’.  Deze kwalificatie als ‘universaliteit’ heeft tot gevolg dat de ‘onderliggende’ bestanddelen van de beleggingsportefeuille vervangbaar zijn, zonder dat de beleggingsportefeuille als zodanig door dergelijke vervanging wordt aangetast in haar substantie.  In de hoedanigheid van vruchtgebruikers van de beleggingsportefeuille, en dus niet meer in de hoedanigheid van beheerders (zaakvoerders) van enige maatschap, zullen de echtgenoten X-Y het beheer van de beleggingsportefeuille waarnemen.  De wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars gaan deels terug op het gemeen recht, en worden deels in onderling overleg vastgelegd – zij zullen schriftelijk worden vastgelegd (zie randnummer 28).

Na de uiteengezette verrichtingen zullen de Aanvragers middels onderhandse overeenkomst dan wel via akte te verlijden voor Nederlands notaris enkele verduidelijkingen en aanpassingen aanbrengen aan de Schenkingsakte.

De verschillende stappen worden hierna in detail besproken onder punt II.B.2. 3).

II.B.2. 2) Intentie

19. De Maatschap werd in 2011 opgericht als een instrument dat toeliet om de kinderen […] stapsgewijze bekend en vertrouwd te maken met het bezit en het beheer van een omvangrijk belegd roerend vermogen (gelden en effecten): hoewel zij, via schenking, grotendeels eigenaar werden van het in de Maatschap ondergebrachte vermogen, bleef het beheer van het maatschapsvermogen bij de ouders de echtgenoten X-Y berusten, als beheerders (zaakvoerders) van de Maatschap.

20. Dergelijke combinatie van vermogensoverdracht en controlebehoud kon destijds (en kan nog steeds) op verschillende manieren bewerkstelligd worden, zo onder meer: via de oprichting van een maatschap (zonder rechtspersoonlijkheid) in combinatie met een schenking, via de oprichting van een vennootschap met rechtspersoonlijkheid in combinatie met een schenking, via een schenking met voorbehoud van vruchtgebruik, enzovoort.  Elk van deze oplossingen had (en heeft) haar eigen voor- en nadelen, haar eigen merites en aandachtspunten.  Een (zeer) belangrijk argument, destijds, om te opteren voor de combinatie van maatschap met schenking, was de uitermate lage kostenstructuur en het discreet karakter.

Wat de lage kostenstructuur betreft: behalve een eenmalige opstartkost (voornamelijk erelonen bij opmaak van de teksten (maatschapsstatuten, schenkingsakte, …)) bracht de maatschapsstructuur geen extra (al dan niet recurrente) kosten met zich mee, behoudens – uitzonderlijk – in het geval van wijzigingen aan de maatschapsstatuten, of aan de eigendomsverhoudingen binnen de maatschap.

Wat het discreet karakter betreft: het feit dat er in hoofde van de maatschap geen enkele openbaarmakings- noch publicatieverplichting gold, was onmiskenbaar een element dat de keuze voor de maatschap mee beïnvloedde.  De maatschap was een zeer besloten vehikel, waarbij enkel de vennoten zelf, de begeleidende adviseurs (waaronder de notaris) en de bankier betrokken waren.

21.  Recente wetgeving heeft één en ander als het ware doorkruist, zo onder meer:

  • de Wet van 15 april 2018 houdende hervorming van het ondernemingsrecht, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad dd. 27 april 2018, legt aan maatschappen de verplichting op om zich in te schrijven in de KBO, waardoor derden kennis kunnen krijgen van het bestaan van de maatschap, terwijl die in essentie toch slechts een louter familiaal vehikel is; dergelijke kennisneming blijft mogelijk, ook al werd de Maatschap inmiddels in de KBO ingeschreven onder de benaming ‘Z’, zonder verwijzing naar de beide familienamen X-Y;
  • dezelfde Wet van 15 april 2018 legt aan maatschappen de verplichting op om een boekhouding te voeren; dit kan een enkelvoudige dan wel een dubbele boekhouding zijn, afhankelijk van de jaarlijkse ‘omzet’; dit kan zelfs in het ene jaar een enkelvoudige en in het andere jaar een dubbele boekhouding zijn; hoedanook brengt deze verplichting voor de Maatschap recurrente kosten met zich mee, die zowel in relatieve als in absolute cijfers hoog kunnen oplopen, te meer daar bancaire producten soms complex zijn en de boekhoudkundige verwerking van sommige bancaire transacties allerminst evident blijkt te zijn; bovendien zal de Maatschap derden dienen te betalen om op permanente wijze op te volgen of, voor elk jaar, een enkelvoudige dan wel een dubbele boekhouding zal moeten gevoerd worden; het valt, naar de mening van de Aanvragers, voorts niet uit te sluiten dat op termijn, naar analogie met wat geldt voor vennootschappen met rechtspersoonlijkheid, de cijfers van een maatschap ook zullen dienen gepubliceerd te worden, wat bijkomende kosten met zich zou meebrengen, samen met een verlies aan discretie;
  • ook uit hoofde van het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen, ingevoerd bij Wet van 23 maart 2019, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad dd. 4 april 2019, zijn er kosten te verwachten: uiterlijk op 31 december 2023 zullen volledige nieuwe statuten voor de Maatschap dienen uitgewerkt te worden.

Overigens wordt, allicht ten onrechte, soms gesteld dat maatschappen een zgn. LEI-code (Legal Entity Identifier-code) dienen aan te vragen (en periodiek dienen te verlengen) om te kunnen handelen in beursgenoteerde financiële instrumenten.  Zelfs als dit op heden nog niet het geval zou zijn, kan dat in de toekomst uiteraard veranderen, wat opnieuw kosten met zich mee zou brengen.

Eén en ander heeft de Aanvragers tot het besluit gebracht dat zij minstens willen overwegen om zich, steeds met inachtname van de motieven die aan de oprichting van de Maatschap ten grondslag lagen (zie randnummer 19), en die op heden nog steeds gelden, onderling anders te organiseren.  Daartoe beogen zij de verrichtingen te stellen samengevat onder randnummer 18 en uitgebreid toegelicht onder randnummers 23 tot en met 35.  Vooraleer zich evenwel effectief aldus anders te organiseren, wensen de Aanvragers fiscale zekerheid te bekomen.  Daartoe strekt onderhavige aanvraag tot voorafgaande beslissing.

Inzonderheid zijn de Aanvragers ervan overtuigd dat de eenmalige kost die onderhavige aanvraag met zich meebrengt, met inbegrip van de volledige uitwerking ervan – in geval van een positief antwoord op de aanvraag –, overeenkomt met de (boekhoud- en andere) kosten die gepaard gaan met het voortbestaan van de Maatschap gedurende een periode van 3 à 4 jaar.  En dat terwijl de verwachte duurtijd van de Maatschap, gelet op de leeftijd en de levensverwachting van de echtgenoten X-Y, vele malen hoger ligt dan 3 à 4 jaar.

22. De Aanvragers stippen nog aan dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de vennoten voor schulden van de maatschap, ook een gevolg van inwerkingtreding van de Wet van 15 april 2018, geen argument vormt in de overweging om van structuur te veranderen, al was het maar omdat de Maatschap geen schulden heeft en er ook geen beoogt te hebben.

II.B.2. 3) Gedetailleerde uiteenzetting van de voorgenomen verrichtingen

A) Ontbinding van de Maatschap

23. Artikel 3 van de Statuten voorziet dat de Maatschap bestaat voor een bepaalde duur die van rechtswege zal verstrijken bij het overlijden van de langstlevende van X en Y.  Minstens met unanimiteit van stemmen van alle vennoten kan hiervan worden afgeweken, en kan worden beslist om de Maatschap vervroegd te ontbinden.

Het maatschapsvermogen bestaat op heden uitsluitend uit een gediversifieerde, uit liquiditeiten en effecten bestaande beleggingsportefeuille, aangehouden op rekeningen geopend bij […].  De Maatschap heeft geen schulden.

Het maatschapsvermogen heeft op heden een benaderende waarde van € 1.950.000,00 (één miljoen negenhonderd vijftigduizend euro) – waarde waarvan voor de nog te maken berekeningen, hierna, wordt uitgegaan; in geval van concrete uitwerking zou uiteraard met de exacte waarde op dat moment rekening worden gehouden.

24. Het maatschapsvermogen zou verdeeld worden a rato van de bestaande eigendomsverhoudingen, te weten (zie randnummer 12, laatste alinea):

(i)         X : 1,05% (één procent vijf honderdsten), weliswaar behorende tot de tussen hem en Y bestaande huwelijksgemeenschap;

(ii)        Y : 1,05% (één procent vijf honderdsten), weliswaar behorende tot de tussen haar en X bestaande huwelijksgemeenschap;

(iii)       A : 25,69% (vijfentwintig procent negenenzestig honderdsten);

(iv)       B : 25,69% (vijfentwintig procent negenenzestig honderdsten);

(v)        C : 20,83% (twintig procent drieëntachtig honderdsten);

(vi)       D : 25,69% (vijfentwintig procent negenenzestig honderdsten).

Het maatschapsvermogen zou als volgt verdeeld worden:

  • aan de (huwelijksgemeenschap van de) echtgenoten X-Y zouden vermogensbestanddelen (liquiditeiten en/of effecten) ter waarde van (samen) 2,10% (twee procent tien honderdsten) van € 1.950.000,00, dus ter waarde van € 40.950,00 (veertig duizend negenhonderd vijftig euro), worden toebedeeld;
  • de kinderen […] zouden beslissen om onderling in onverdeeldheid te blijven wat hun gezamenlijk scheidingsdeel betreft; dit gezamenlijk scheidingsdeel zou bestaan uit de overige vermogensbestanddelen van het (voormalig) maatschapsvermogen, met een globale waarde van € 1.909.050,00 (één miljoen negenhonderd en negen duizend en vijftig euro); binnen dit gezamenlijk scheidingsdeel zouden de onderlinge eigendomsverhoudingen herberekend worden, toepassing makend van de ‘regel van drie’, en afrondend op drie cijfers na de komma, als volgt:
    • het aandeel van A in dit scheidingsdeel zou 2.569/9.790 bedragen, dus 26,241% (zesentwintig procent tweehonderd eenenveertig duizendsten);
    • het aandeel van B in dit scheidingsdeel zou 2.569/9.790 bedragen, dus 26,241%(zesentwintig procent tweehonderd eenenveertig duizendsten);
    • het aandeel van C in dit scheidingsdeel zou 2.083/9.790 bedragen, dus 21,277% (eenentwintig procent tweehonderd zevenenzeventig duizendsten);
    • het aandeel van D in dit scheidingsdeel zou 2.569/9.790 bedragen, dus 26,241% (zesentwintig procent tweehonderd eenenveertig duizendsten).

B) Creatie van een nieuwe onverdeeldheid

25. Na ontbinding van de maatschap zou tussen de zes partijen X-Y een nieuwe, gewone, niet-gereglementeerde onverdeeldheid worden gecreëerd.  Zouden worden in onverdeeldheid gebracht:

  • door de kinderen […]: hun gezamenlijk scheidingsdeel in het voormalig maatschapsvermogen, ter waarde van € 1.909.050,00;
  • door de echtgenoten X-Y : hun gezamenlijk scheidingsdeel in het voormalig maatschapsvermogen, ter waarde van € 40.950,00;
  • en bovendien door de echtgenoten X-Y : andere vermogensbestanddelen (liquiditeiten en/of effecten) die zij, namens de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap, aanhouden op rekening bij […], ter waarde van € 473.267,33 (vierhonderd drieënzeventig duizend tweehonderd zevenenzestig euro drieëndertig eurocent).

Aldus zou de nieuwe onverdeeldheid een globale waarde hebben van € 2.423.267,33 (twee miljoen vierhonderd drieëntwintig duizend tweehonderd zevenenzestig euro drieëndertig eurocent).

Het bedrag ad € 473.267,33 is overigens (uiteraard) niet lukraak gekozen.  Samen met het scheidingsdeel ad € 40.950,00 in het voormalig maatschapsvermogen, zou het onverdeeld deel van de echtgenoten X-Y in de nieuwe onverdeeldheid een waarde hebben van € 514.217,33 (vijfhonderd veertien duizend tweehonderd zeventien euro drieëndertig eurocent), zijnde 21,22% (eenentwintig procent tweeëntwintig honderdsten) van € 2.423.267,33, zijnde het beoogde percentage (zie randnummer 23).

Binnen de nieuwe onverdeeldheid zou eenieder dan als volgt gerechtigd zijn, toepassing makend van de ‘regel van drie’, en afrondend op drie cijfers na de komma:

(i)         de (huwelijksgemeenschap van de) echtgenoten X-Y : voor een onverdeeld deel ad 21,22% in volle eigendom;

(ii)        A: voor een onverdeeld deel ad 20,673% (twintig procent zeshonderd drieënzeventig duizendsten) in volle eigendom;

(iii)       B: voor een onverdeeld deel ad 20,673% (twintig procent zeshonderd drieënzeventig duizendsten) in volle eigendom;

(iv)       C: voor een onverdeeld deel ad 16,761% (zestien procent zevenhonderd eenenzestig duizendsten) in volle eigendom;

(v)        D: voor een onverdeeld deel ad 20,673% (twintig procent zeshonderd drieënzeventig duizendsten) in volle eigendom.

C) Omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en in blote eigendom

26. Chronologisch onmiddellijk volgend op de creatie van de nieuwe onverdeeldheid, zou:

  • het onverdeeld deel ad 21,22% in volle eigendom toebehorend aan de (huwelijksgemeenschap van de) echtgenoten X-Y, omgezet worden in een levenslang vruchtgebruik ten voordele van de echtgenoten X-Y en, na overlijden van één van hen, ten voordele van de langstlevende van hen, op de totaliteit van het vermogen;
  • het onverdeeld deel ad 20,673% in volle eigendom toebehorend aan A, omgezet worden in een onverdeeld deel ad 26,241% (zesentwintig procent tweehonderd eenenveertig duizendsten) in louter blote eigendom van de totaliteit van het vermogen;
  • het onverdeeld deel ad 20,673% in volle eigendom toebehorend aan B, omgezet worden in een onverdeeld deel ad 26,241% (zesentwintig procent tweehonderd eenenveertig duizendsten) in louter blote eigendom van de totaliteit van het vermogen;
  • het onverdeeld deel ad 16,761% in volle eigendom toebehorend aan C, omgezet worden in een onverdeeld deel ad 21,277% (eenentwintig procent tweehonderd zevenenzeventig duizendsten) in louter blote eigendom van de totaliteit van het vermogen;
  • het onverdeeld deel ad 20,673% in volle eigendom toebehorend aan D, omgezet worden in een onverdeeld deel ad 26,241% (zesentwintig procent tweehonderd eenenveertig duizendsten) in louter blote eigendom van de totaliteit van het vermogen.

Dit onverdeeld vermogen, in blote eigendom toebehorend aan (enkel) de kinderen […], wordt hierna het “Vermogen” genoemd.  De echtgenoten X-Y zouden geen (volle noch blote) eigendom meer bezitten in het Vermogen.  Zij zouden er louter vruchtgebruikers van zijn.  Na overlijden van één van hen zou de langstlevende van hen vruchtgebruiker worden over de totaliteit van het Vermogen.

27. 21,22% is de coëfficiënt die in het Ministerieel Besluit van 1 juli 2019, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 3 juli 2019, werd toegekend aan het vruchtgebruik in hoofde van een persoon met de leeftijd gelijk aan de echtgenoot X-Y met de hoogste levensverwachting, zijnde Y.  Er zijn geen redenen om aan te nemen dat de werkelijke levensverwachting van Y afwijkt van de statistische levensverwachting.

In geval van concrete uitwerking zal uiteraard gewerkt worden met de alsdan geldende coëfficiënten vruchtgebruik alsook met de leeftijd van Y op dat moment (in beginsel nog steeds 65 (vijfenzestig) jaar).  Samen met het feit dat de exacte waarde van het maatschapsvermogen op dat ogenblik normalerwijze zal afwijken van de huidige waarde ervan – wat inherent is aan een beleggingsportefeuille –, heeft dit tot gevolg dat zowel de hiervóór vermelde bedragen als het hiervóór vermelde percentage ad 21,22% alsdan niet langer correct zullen zijn.

28. Het Vermogen zou bestaan uit een gediversifieerde beleggingsportefeuille (liquiditeiten en effecten).

De beleggingsportefeuille die aldus in vruchtgebruik zou toebehoren aan de echtgenoten X-Y en in blote eigendom aan de vier kinderen […], zou een ‘universaliteit’ of ‘algemeenheid van goederen’ vormen (en zou, voor zover als nodig, als dusdanig worden gekwalificeerd).  Deze kwalificatie als ‘universaliteit’ heeft tot gevolg dat de ‘onderliggende’ bestanddelen van de beleggingsportefeuille vervangbaar zijn, zonder dat de beleggingsportefeuille als zodanig door dergelijke vervanging wordt aangetast in haar substantie.  In de hoedanigheid van vruchtgebruikers van de beleggingsportefeuille, en dus niet meer in de hoedanigheid van beheerders (zaakvoerders) van enige maatschap zouden de echtgenoten X-Y het beheer van de beleggingsportefeuille waarnemen.  De wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars zouden schriftelijk worden vastgelegd.

De regeling omtrent wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars zou worden opgenomen in een overeenkomst, als volgt:

“Het vruchtgebruik en de blote eigendom alsook de wederzijdse rechten en plichten van de vruchtgebruikers en de blote eigenaars worden te allen tijde beheerst door de regels van het Burgerlijk Wetboek en, meer algemeen, van het gemeen recht, behoudens indien en in de mate daarvan in deze overeenkomst op geoorloofde wijze wordt afgeweken.

Telkens in deze overeenkomst sprake is van de “vruchtgebruikers”, wordt dit gelezen en geïnterpreteerd als de “vruchtgebruiker”, in alle omstandigheden waarin er, om welke reden ook, nog slechts één vruchtgebruiker zou zijn.  En telkens in deze overeenkomst sprake is van de “blote eigenaars”, wordt dit gelezen en geïnterpreteerd als de “blote eigenaar”, in alle omstandigheden waarin er, om welke reden ook, nog slechts één blote eigenaar zou zijn.

Elke vruchtgebruiker afzonderlijk oefent alle bevoegdheden uit van beheer, gebruik en genot – en dit bij uitsluiting van de blote eigenaars.  Als titularissen van het vruchtgebruik hebben de vruchtgebruikers het recht op de burgerrechtelijke vruchten tijdens de gehele duurtijd van het vruchtgebruik – waarbij wat ‘stockdividenden’ betreft, de tegenwaarde ervan in geld wordt in aanmerking genomen.

De uit de (samenstellende delen van de) beleggingsportefeuille voortspruitende vruchten zullen systematisch onmiddellijk en rechtstreeks worden geboekt op een eigen rekening op naam van de vruchtgebruikers.  Indien een dergelijke systematische onmiddellijke en rechtstreekse boeking op een eigen rekening op naam van de vruchtgebruikers ‘bancair-technisch’ gezien niet mogelijk zou zijn (bijvoorbeeld voor ‘stockdividenden’ of voor het interestgedeelte in de verkoopprijs bij tussentijdse verkoop van een obligatie), zullen de vruchtgebruikers zorgen voor een systematische overboeking van de betreffende vruchten (of van de tegenwaarde ervan) uit de beleggingsportefeuille naar een eigen rekening op naam van de vruchtgebruikers.

De courante kosten die met een contract van open bewaargeving en met het beheer van de beleggingsportefeuille gepaard gaan (zoals beheerloon, bewaarloon en portkosten), vallen ten laste van de vruchtgebruikers.

Behoudens uitdrukkelijke andersluidende overeenkomst tussen de vruchtgebruikers en de blote eigenaars, zal de opsplitsing vruchtgebruik-blote eigendom zich enten op wat op enige wijze op enig ogenblik in de plaats zou komen van de beleggingsportefeuille.  Dit geldt, voor zover als nodig, op overeenkomstige wijze evenzeer voor (elk van) de samenstellende bestanddelen van de beleggingsportefeuille.

Het vruchtgebruik is, behoudens uitdrukkelijke andersluidende overeenkomst tussen de vruchtgebruikers en de blote eigenaars, onomzetbaar.

Het is de vruchtgebruikers niet toegelaten om zonder het akkoord van de blote eigenaars op enige wijze over hun recht van vruchtgebruik te beschikken ten voordele van een derde.

De vruchtgebruikers zijn gehouden tot instandhouding van de zaak en tot teruggave ervan bij beëindiging van het vruchtgebruik.  Gelet op het karakter van de beleggingsportefeuille als ‘universaliteit’, zal bij het einde van het vruchtgebruik de beleggingsportefeuille moeten worden teruggegeven in de staat waarin deze zich op dat ogenblik bevindt.

Indien en in de mate waarin verbruikbare goederen in de plaats zouden komen van de beleggingsportefeuille, wordt, in afwijking van huidig artikel 587 van het Burgerlijk Wetboek, het stelsel van quasi-vruchtgebruik uitdrukkelijk uitgesloten.

De beleggingsportefeuille – of minstens de samenstellende bestanddelen ervan – maakt (maken) het voorwerp uit (of zal (zullen) het voorwerp uitmaken) van een overeenkomst van open bewaargeving bij één of meer financiële instellingen op de wijze waarop de algemene voorwaarden en/of de gebruiken van deze financiële instelling(en) dat voorzien voor een beleggingsportefeuille waarvan het eigendomsrecht is opgesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom.  In afwijking hiervan, zullen bestanddelen van de beleggingsportefeuille eveneens ‘op naam’ kunnen worden aangehouden, in te schrijven in de daartoe bestemde registers van de emittent op de wijze zoals de gebruiken van deze emittent dat voorzien voor effecten waarvan het eigendomsrecht is opgesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom.  Het behoort tot de bevoegdheid van de vruchtgebruikers om op rekening geboekte effecten, deel uitmakend van de beleggingsportefeuille, om te zetten in effecten op naam, blijvend deel uitmakend van de beleggingsportefeuille, en vice versa.

Het is de vruchtgebruikers niet toegestaan om, zonder het akkoord van de blote eigenaars, de beleggingsportefeuille als zodanig te vervreemden.  Wel kunnen zij, als titularissen van het recht van beheer, genot en gebruik, overgaan tot de vervreemding van elk van de samenstellende bestanddelen van de beleggingsportefeuille en de vervanging daarvan door andere die in de plaats van de vervreemde bestanddelen binnen de beleggingsportefeuille zullen treden, en evenzeer aan een vruchtgebruik zullen onderworpen zijn.  Tot dergelijke beslissing kunnen de vruchtgebruikers – elk afzonderlijk – alleen overgaan, binnen de perken die gesteld worden door de verplichting om ‘als een voorzichtig en redelijk persoon’ te beheren, en steeds met inachtneming van het belang van de blote eigenaars (‘doelgebonden beheer’).

Het is de vruchtgebruikers niet toegestaan om in het eigen voordeel afnames te verrichten uit de beleggingsportefeuille, behoudens indien en in de mate zij daartoe op rechtsgeldige, schriftelijke wijze zouden gemachtigd zijn (zo bijvoorbeeld uit hoofde van het vruchtgebruik).

Het risicoprofiel van de beleggingsportefeuille, alsook elke eventuele latere wijziging ervan, zal in onderling overleg tussen de vruchtgebruikers en de blote eigenaars vastgelegd worden.  Als vruchtgebruikers zullen X en Y, binnen het aldus in onderling overleg te bepalen risicoprofiel, overeenkomsten van vermogensbeheer kunnen afsluiten – wat inhoudt dat zij zich zullen kunnen laten bijstaan door professionele, door de betrokken toezichthoudende autoriteit vergunde derden (‘adviserend’ of ‘consultatief’ beheer) en/of het beheer van een beleggingsportefeuille geheel of ten dele zullen kunnen uitbesteden aan professionele, door de betrokken toezichthoudende autoriteit vergunde derden (‘uitvoerend’ of ‘discretionair’ beheer).

De vruchtgebruikers zijn er voorts toe gerechtigd, althans wat de eventuele ‘onderliggende’ aandelen betreft, de aan deze aandelen verbonden lidmaatschapsrechten uit te oefenen, althans in zoverre dit niet in strijd is met de statuten van de betrokken vennootschap.  Meer in het bijzonder, en onder dit voorbehoud, zullen de vruchtgebruikers het recht hebben om op de gewone algemene vergaderingen van aandeelhouders (jaarvergaderingen) en de bijzondere en buitengewone algemene vergaderingen van aandeelhouders deel te nemen aan de beraadslaging en te stemmen – één en ander zonder verplicht voorafgaand overleg met de blote eigenaars, doch onverminderd het recht van de blote eigenaars op informatie.

Voormelde bevoegdheden van de vruchtgebruikers dienen te goeder trouw uitgeoefend te worden, binnen de perken die gesteld worden door de verplichting om ‘als een voorzichtig en redelijk persoon’ te beheren, en steeds met inachtneming van het belang van de blote eigenaars en de verplichting de substantie van de zaak in stand te houden, gelet op de bestemming ervan (‘doelgebonden beheer’).

De vruchtgebruikers verbinden er zich toe aan de blote eigenaars een actuele staat van de beleggingsportefeuille te bezorgen telkens deze hierom verzoeken.

De vruchtgebruikers ontlenen hun beheersbevoegdheid met betrekking tot de beleggingsportefeuille uitsluitend aan hun vruchtgebruik over deze beleggingsportefeuille, en aan wat daaromtrent wordt voorzien in deze overeenkomst.  Met de financiële instelling(en) waarbij de beleggingsportefeuille, of minstens de samenstellende bestanddelen ervan, op enig ogenblik in open bewaargeving zal (zullen) gegeven zijn, zal overleg gepleegd worden teneinde de desgevallend op verzoek van de betrokken financiële instelling(en) op te maken bancaire volmacht in de mate van het mogelijke af te stemmen op de bepalingen van deze overeenkomst.  In de verhouding tussen vruchtgebruikers en blote eigenaars kan een dergelijke bancaire volmacht aan de vruchtgebruikers geen ruimere bevoegdheden verlenen dan de bevoegdheid die zij hebben uit hoofde van het vruchtgebruik over de beleggingsportefeuille, en uit hoofde van wat daaromtrent wordt voorzien in deze overeenkomst – net zomin overigens als enig(e) ander(e) document, akte en/of overeenkomst.”.

In essentie zou de bevoegdheid van de vruchtgebruikers aldus niet verder reiken dan de bevoegdheid van de beheerders (zaakvoerders) van de (voormalige) Maatschap (zie randnummer 8).  De bevoegdheid van de vruchtgebruikers is een bevoegdheid tot louter beheer van een beleggingsportefeuille ‘als universaliteit’.  De vruchtgebruikers hebben niet de bevoegdheid om autonoom te beschikken over de beleggingsportefeuille ‘als universaliteit’.  Eén en ander wordt voor zover als nodig geëxpliciteerd in de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars.

29.  De onverdeeldheid zelf – enkel tussen de kinderen […] onderling, wat de blote eigendom betreft – zou niet gereglementeerd worden.  Wel zal een document worden opgemaakt waaruit de wederzijdse eigendomsaanspraken blijken – deze zullen immers niet gelijk zijn (zie randnummer 26).

Het geheel van hiervóór uiteengezette verrichtingen wijzigt als dusdanig niets aan de Schenking noch aan haar modaliteiten.  Deze blijven onverkort van toepassing, zij het wel dat het in de bedoeling ligt van de Aanvragers om, na de hiervóór uiteengezette verrichtingen, via onderhandse overeenkomst dan wel via akte te verlijden voor Nederlands notaris, enkele verduidelijkingen en aanpassingen aan te brengen aan de Schenkingsakte, inzonderheid aan sommige modaliteiten van de Schenking (zie hierna, randnummers 31 tot en met 35).

D) Uitwerking van de voorgenomen verrichtingen

30. De hiervóór uiteengezette voorgenomen verrichtingen vormen drie afzonderlijke rechtshandelingen, op te nemen in drie afzonderlijke overeenkomsten, of – wellicht – in één overeenkomst met drie luiken.  Niettemin wordt niet ontkend – integendeel zelfs ! – dat zij één geheel vormen, onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Naar de mening van de Aanvragers is er net om die reden geen bezwaar tegen dat de bancaire verwerking van één en ander, gelet op het streven naar eenvoud op bancair en administratief vlak en in het bijzonder om te vermijden dat onbedoeld fouten worden gemaakt of vergissingen worden begaan, niet volledig de juridische realiteit volgt.  Inzonderheid zou als volgt gewerkt worden:

  • er worden nieuwe (effecten)rekeningen geopend op gemeenschappelijke naam van de vier kinderen […], met daaraan een ‘vruchtgebruikrekening’ gekoppeld op gemeenschappelijke naam van de echtgenoten X-Y, op de wijze waarop de algemene voorwaarden en/of de gebruiken van de betrokken financiële instelling dat voorzien voor een beleggingsportefeuille waarvan het eigendomsrecht is opgesplitst in vruchtgebruik en blote eigendom (cf. de bewoordingen van de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars – zie randnummer 24);
  • naar deze nieuwe (effecten)rekeningen worden overgeboekt: enerzijds het volledige (voormalige) maatschapsvermogen, en anderzijds, door de echtgenoten X-Y, vermogensbestanddelen (liquiditeiten en/of effecten) die zij, namens de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap, aanhouden op rekening bij […], ter waarde van € 473.267,33 (vierhonderd drieënzeventig duizend tweehonderd zevenenzestig euro drieëndertig eurocent);
  • de maatschapsrekeningen worden afgesloten.

Op die manier komt het ‘bancair eindresultaat’ wel overeen met de juridische realiteit.

Eén en ander zou ook expliciet aldus verwoord worden in de af te sluiten overeenkomst(en).

Evenwel, indien uw diensten de goedkeuring van onderhavige aanvraag tot voorafgaande beslissing zouden afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de bancaire verwerking van één en ander de juridische realiteit volledig volgt, zullen de Aanvragers zich daaraan conformeren.

E) Verduidelijking en wijziging van de modaliteiten van de Schenking

31. De Aanvragers beogen om, na de hiervóór uiteengezette verrichtingen, middels onderhandse overeenkomst dan wel via akte te verlijden voor Nederlands notaris, enkele verduidelijkingen en aanpassingen aan te brengen aan de Schenkingsakte, inzonderheid aan sommige modaliteiten van de Schenking.

32. Aan de Schenking was een rentelast verbonden op grond waarvan elke begiftigde ertoe gehouden is om per halfjaar aan de schenkers een bedrag van € 9.600,00 (negenduizend zeshonderd euro) te betalen, telkenmale op de eerste bankwerkdag van januari en juli, met dien verstande:

  • dat het bedrag van de rente indexeerbaar is op basis van de evolutie van het Belgisch gezondheidsindexcijfer;
  • dat de rente slechts betaalbaar op verzoek, geheel of gedeeltelijk, desgevallend in schijven, en dat het recht op betaling ervan in hoofde van de schenkers van rechtswege vervalt één jaar na het opeisbaar worden;
  • dat het recht op de rente sowieso van rechtswege vervalt bij het overlijden van de eerststervende schenker; en
  • dat de begiftigden het recht hebben om van de schenkers te eisen dat het desgevallend opgevraagde bedrag, althans gedurende het bestaan van de maatschap, volledig wordt opgenomen uit het aandeel van de begiftigden in de inkomsten en, indien deze ontoereikend zouden zijn, wordt aangerekend op de toekomstige inkomsten.

Deze rentelast wordt hierna de “Rentelast” genoemd.

De Aanvragers wensen aan de modaliteit omtrent de Rentelast het volgend beding toe te voegen:

“Het voorgaande dient aldus te worden gelezen en geïnterpreteerd dat de mogelijkheid tot het achtereenvolgens opvragen van de rente door de Schenkers vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat geen duidelijke schenking meer voorligt.  Het desgevallend achtereenvolgens opvragen van de rente dient uiteraard steeds, in alle omstandigheden, aldus te gebeuren dat een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers), en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden.  Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen de comparanten hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het achtereenvolgens opvragen en opnemen van de rente ertoe leidt dat aan de Begiftigde méér zou kunnen worden gevraagd dan 30% (dertig procent) van de waarde van het voorwerp van de Schenking aan elke Begiftigde.  In de mate de Begiftigde op een bepaald ogenblik van opvraging of opname van de rente niet minstens 70% (zeventig procent) van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, zou kunnen behouden, kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 30% van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, opgevraagd aan de Begiftigde.  Vanaf het ogenblik waarop de Begiftigde wel minstens 70% van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, zou kunnen behouden, kunnen de Schenkers opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit méér dan 30% van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, kunnen opvragen aan de Begiftigde.”.

De Aanvragers benadrukken overigens dat de heer en mevrouw X-Y, als schenkers, tot dusver nooit enige rentebetaling hebben opgevraagd of opgenomen jegens de kinderen […], begiftigden.

33. Aan de Schenking was de hiernavolgende modaliteit verbonden:

“Omzetting in vruchtgebruik

Elke Schenker, voor zijn of haar respectief aandeel in de Schenking, bedingt jegens de Begiftigde, die […] aanvaardt, voor het geval hij casu quo zij de andere Schenker zou overleven, de last voor de Begiftigde om, onmiddellijk volgend op het overlijden van de andere Schenker, in zijn casu quo haar voordeel een levenslang vruchtgebruik te vestigen op zijn casu quo haar aandeel in het voorwerp van de Schenking of op wat op enige wijze op enig ogenblik hiervoor in de plaats zou komen.”.

De Aanvragers wensen deze modaliteit te schrappen, nu zij overbodig wordt zodra het vruchtgebruik gevestigd wordt krachtens de voorgenomen verrichtingen.

Voorts was in de Schenking voorzien dat de toestemming tot schenken die de Schenkers elkaar wederzijds verleenden “geen vrijstelling van inbreng […] inhoudt in de zin van [oud] artikel 858bis van het Belgisch Burgerlijk Wetboek [, waardoor] […] de Schenker, voor het geval hij casu quo zij de andere Schenker zou overleven, een vruchtgebruik [zal] bezitten op het aandeel van de vooroverleden Schenker in het voorwerp van de Schenking of op wat op enige wijze op enig ogenblik hiervoor in de plaats zou komen, onder de modaliteiten uiteengezet in [oud] artikel 858bis van het Belgisch Burgerlijk Wetboek.”.

De Aanvragers wensen te verduidelijken dat deze passage van de Schenkingsakte zonder voorwerp geworden is na en ingevolge de omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en in blote eigendom, hiervóór uiteengezet.

34. Aan de Schenking was voorts de hiernavolgende modaliteit verbonden:

“De Schenkers, elk van hen voor zijn of haar respectief aandeel in de Schenking, en de Begiftigde […], elk van hen voor de aan haar casu quo aan hem verrichte Schenking, komen uitdrukkelijk overeen dat de Schenking gedaan wordt onder de ontbindende voorwaarde van het inleiden, althans gedurende het leven van de langstlevende Schenker, door een schuldeiser, jegens de Begiftigde, als schuldenaar, borgsteller of in een andere hoedanigheid, van een vordering tot uitwinning, zij het evenwel dat deze ontbindende voorwaarde, desgevallend, enkel uitwerking zal hebben indien de Schenker zich daar uitdrukkelijk op beroept binnen een termijn van één (1) jaar, te rekenen dag aan dag, na datum waarop de Begiftigde in kennis gesteld wordt van het inleiden van de vordering.”.

De Aanvragers wensen deze modaliteit integraal te schrappen.

35. De Aanvragers wensen de Schenkingsakte aan te vullen met de hiernavolgende bepaling:

“Indien de duurtijd van enige in onderhavige akte van schenking vervatte modaliteit de toegelaten duurtijd zou overschrijden, wordt de duurtijd ervan verminderd tot de toegelaten duurtijd.  Indien de omvang van enige in onderhavige akte van schenking vervatte modaliteit de toegelaten omvang zou overschrijden, wordt de omvang ervan beperkt tot de toegelaten omvang.”.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

36. De Aanvragers menen dat geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, belastbaar is met erfbelasting bij overlijden van X en/of Y, om de redenen hierna uiteengezet.

Artikel 2.7.1.0.1 VCF

37. Artikel 2.7.1.0.1 VCF bepaalt dat het successierecht en het recht van overgang, en dus de erfbelasting, gevestigd worden op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.

38. Geen van de voorgenomen verrichtingen, noch elke verrichting afzonderlijk noch het geheel van de verrichtingen, heeft tot gevolg dat ingevolge het overlijden van X en/of Y, goederen overgaan op de kinderen […].  Bijgevolg kan artikel 2.7.1.0.1 VCF niet als dusdanig worden toegepast.  Ook in combinatie met de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF kan artikel 2.7.1.0.1 VCF niet worden toegepast.  Desgevallend zou daartoe een beroep kunnen worden gedaan op de bijzondere fictiebepalingen van de VCF, die ertoe strekken om goederen die niet ingevolge overlijden overgaan, alsnog aan erfbelasting te onderwerpen.  Deze worden verder behandeld.

39. Wel zal er, bij overlijden van één van de echtgenoten X-Y, aanwas zijn van het vruchtgebruik in het voordeel van de langstlevende van hen.  Deze aanwas van vruchtgebruik is geen overgang van een goed ingevolge het overlijden, zoals bedoeld in artikel 2.7.1.0.1 VCF, al dan niet in combinatie met de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF.

40. Bijgevolg zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.1 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF

41. Artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF stipuleert dat erfbelasting verschuldigd is op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis BW, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende partner op de geëigende wijze aan dit vruchtgebruik heeft verzaakt.

42. Artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF beoogt het zgn. ‘wettelijk voortgezet vruchtgebruik’ belastbaar te stellen met erfbelasting.  Wat echtgenoten betreft, is het ‘wettelijk voortgezet vruchtgebruik’ het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot krachtens artikel 858 bis, §3 BW ontvangt van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.

Krachtens de voorgenomen verrichtingen zal de langstlevende van de echtgenoten X-Y het vruchtgebruik verkrijgen over de totaliteit van het Vermogen.  Hij of zij zal, behalve zijn of haar helft van het vruchtgebruik, ook de helft ontvangen dat de eerststervende bezat.

De verkrijging van vruchtgebruik uit hoofde van de door de Aanvragers voorgenomen verrichtingen is echter geenszins een verkrijging krachtens artikel 858bis, §3 BW:

  • de in casu beoogde verkrijging is een aanwas van vruchtgebruik uit hoofde van een verrichting onder bezwarende titel (zie ook randnummers 46 en 47), waarbij op geen enkel vlak een verrijking of verarming van de ene of de andere bij de verrichtingen betrokken partij plaatsvindt;
  • de verkrijging uit hoofde van artikel 858 bis, §3 BW is een verkrijging gekoppeld aan een verrichting onder kosteloze titel (een schenking).

Het gaat om twee conceptueel totaal verschillende verrichtingen, die elkaar niet zelfs maar enigszins benaderen, als gevolg waarvan belastbaarheid uit hoofde van artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF niet mogelijk is, zelfs niet in combinatie met de algemene anti-misbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF.

En zelfs indien hierover twijfel zou bestaan – quod non –, wijzen de Aanvragers op het feit dat belastbaarheid sowieso is uitgesloten nu de verkrijging een aanwas is van vruchtgebruik waaromtrent Vlabel aanvaardt dat deze niet belastbaar is.  Verwezen wordt daarvoor naar het Standpunt nummer 16092 van 14 november 2016 (zie randnummers 50 en 51).

43. Voor het overige geven de voorgenomen verrichtingen, noch elk afzonderlijk noch als geheel beschouwd, aanleiding tot enige verkrijging van vruchtgebruik.

44. Bijgevolg zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Artikel 2.7.1.0.5 VCF

45.  Artikel 2.7.1.0.5 VCF bepaalt dat de goederen waarover de erflater kosteloos beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, geacht worden deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen werd aan de schenkbelasting.

46. Geen van de voorgenomen verrichtingen houdt, op zichzelf beschouwd dan wel als geheel genomen, op enigerlei wijze een beschikking onder kosteloze titel in.  Er is ook in het geheel geen intentie tot bevoordeligen.  Het is integendeel de bedoeling om een transactie onder bezwarende titel tot stand te brengen, aan volstrekt marktconforme voorwaarden.

47. Dat geldt in eerste instantie voor de gecombineerde verrichting van (i) ontbinding van de maatschap, (ii) creatie van een nieuwe onverdeeldheid en (iii) omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en blote eigendom:

  • ter gelegenheid van de ontbinding van de Maatschap wordt aan elke (voormalige) vennoot zijn of haar scheidingsdeel toebedeeld, a rato van eenieders aandeel in de maatschap; hierin schuilt op geen enkele wijze enige beschikking onder kosteloze titel (verrijking noch verarming);
  • ter gelegenheid van de creatie van de nieuwe onverdeeldheid wordt aan eenieder van de deelgenoten een onverdeeld deel in volle eigendom toebedeeld, a rato van eenieders bijdrage tot of ‘inbreng’ in de onverdeeldheid; ook hierin schuilt op geen enkele wijze enige beschikking onder kosteloze titel (verrijking noch verarming);
  • en ook de omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en blote eigendom geschiedt aan volstrekt marktconforme voorwaarden, aan de hand van de toepasselijke omzettingstabel gepubliceerd of nog te publiceren in het Belgisch Staatsblad van 3 juli 2019.

Ook als een eenheid beschouwd houdt het geheel van verrichtingen geen bevoordeling in de ene of de andere richting in.

Inzonderheid wordt door de Aanvragers gewezen op hiernavolgende passages uit de af te sluiten overeenkomst tot regeling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars:

“De uit de (samenstellende delen van de) beleggingsportefeuille voortspruitende vruchten zullen systematisch onmiddellijk en rechtstreeks worden geboekt op een eigen rekening op naam van de vruchtgebruikers.  Indien een dergelijke systematische onmiddellijke en rechtstreekse boeking op een eigen rekening op naam van de vruchtgebruikers ‘bancair-technisch’ gezien niet mogelijk zou zijn (bijvoorbeeld voor ‘stockdividenden’ of voor het interestgedeelte in de verkoopprijs bij tussentijdse verkoop van een obligatie), zullen de vruchtgebruikers zorgen voor een systematische overboeking van de betreffende vruchten (of van de tegenwaarde ervan) uit de beleggingsportefeuille naar een eigen rekening op naam van de vruchtgebruikers.

De courante kosten die met een contract van open bewaargeving en met het beheer van de beleggingsportefeuille gepaard gaan (zoals beheerloon, bewaarloon en portkosten), vallen ten laste van de vruchtgebruikers.”.

Op grond van deze bepalingen van de af te sluiten overeenkomst zullen alle burgerlijke vruchten toekomen aan de vruchtgebruikers en, na overlijden van één van hen, aan de langstlevende van hen.  Deze vruchten zullen consequent rechtstreeks geboekt worden op een eigen rekening van de vruchtgebruikers en, na overlijden van één van hen, van de langstlevende van hen.  Dit zal, indien en in de mate waarin de bancaire systemen dit toelaten, geautomatiseerd gebeuren, zonder vermenging met (de bestanddelen van) het Vermogen zelf.  In de mate waarin dit om welke reden ook (bijvoorbeeld uit de aard van het beleggingsproduct) niet mogelijk zou zijn, zullen de vruchtgebruikers, die ‘handtekeningsbevoegd’ zullen zijn op de rekeningen waarop het Vermogen wordt aangehouden, zorgen voor een consequente systematische overboeking vanuit het Vermogen naar hun rekening.  Er wordt uitdrukkelijk niet voorzien in een systeem van ‘aanwas’, waarin vruchten die niet door de vruchtgebruikers worden opgenomen of opgevraagd ‘aanwassen’ bij het Vermogen, omdat dit naar de mening van de Aanvragers het bezwarend, karakter van de verrichtingen, elk afzonderlijk en als geheel genomen, aan marktconforme voorwaarden, mogelijkerwijze in het gedrang zou kunnen brengen.

Tegenover de ‘verarming’ in hoofde van de echtgenoten X-Y – de volle eigendom van tegoeden ter waarde van (€ 473.267,33 plus € 40.950,00 is) € 514.217,33 – staat een gelijkwaardige ‘verrijking’ – het levenslang vruchtgebruik over tegoeden met een waarde van (€ 514.217,33 gedeeld door 0,2122 is) € 2.423.267,33.  Dit vruchtgebruik zal worden uitgeoefend op de wijze zoals in de vorige alinea uiteengezet.  Dit is een verrichting onder bezwarende titel, onder volstrekt marktconforme voorwaarden, die geen bevoordeling – laat staan een bedekte bevoordeling – inhoudt in de één of de andere richting.

Verwezen wordt ook naar randnummer 53, en inzonderheid naar de bereidheid van de Aanvragers om het vruchtgebruik conventioneel uit te breiden zoals aldaar uiteengezet, voor het geval uw diensten dit als voorwaarde zouden stellen.

Vanzelfsprekend kan wel niet worden gegarandeerd dat de vruchten die aldus op rekening van de vruchtgebruikers zullen worden ontvangen, desgevallend na conventionele uitbreiding van het vruchtgebruik zoals in randnummer 53 uiteengezet, al dan niet na wederbelegging nog effectief in het vermogen van de vruchtgebruikers zullen aanwezig zijn bij hun later overlijden.  Op dat ogenblik zou, desgevallend, kunnen blijken dat deze vruchten geheel of gedeeltelijk verteerd zijn, opgeleefd zijn, geschonken zijn, enzovoort.  Maar dat geldt op volstrekt overeenkomstige wijze voor het kapitaal ter waarde van € 514.217,33.

48. Het in randnummer 46 geponeerde geldt evenzeer voor de beoogde verduidelijking en wijziging van de modaliteiten van de Schenking.  Op generlei wijze ligt daarbij een intentie tot bevoordeling voor.

Specifiek wat de voorgenomen schrapping van de modaliteit “De Schenkers, elk van hen voor zijn of haar respectief aandeel in de Schenking, en de Begiftigde […], elk van hen voor de aan haar casu quo aan hem verrichte Schenking, komen uitdrukkelijk overeen dat de Schenking gedaan wordt onder de ontbindende voorwaarde van het inleiden, althans gedurende het leven van de langstlevende Schenker, door een schuldeiser, jegens de Begiftigde, als schuldenaar, borgsteller of in een andere hoedanigheid, van een vordering tot uitwinning, zij het evenwel dat deze ontbindende voorwaarde, desgevallend, enkel uitwerking zal hebben indien de Schenker zich daar uitdrukkelijk op beroept binnen een termijn van één (1) jaar, te rekenen dag aan dag, na datum waarop de Begiftigde in kennis gesteld wordt van het inleiden van de vordering.” betreft, verwijzen de Aanvragers naar het Vlabel-Standpunt nr. 16068 van 27 juni 2016, dat terzake de verzaking aan een conventioneel beding van terugkeer het volgende stelt: “De verzaking door de schenker, tijdens het leven van de begiftigde, aan een conventionele terugkeer die bij de schenking was bedongen, is een handeling die niet onder de toepassing van een Vlaamse registratiebelasting valt.”, en dat, naar de mening van de Aanvragers, bij analogie kan worden toegepast.  Vermits aldus geen kosteloze beschikking, geen schenking voorligt, kan artikel 2.7.1.0.5 VCF niet worden toepast bij overlijden van één of beide echtgenoten X-Y binnen een periode van drie jaar na de schrapping van de vermelde modaliteit.

49. Vermits aldus geen kosteloze beschikking voorligt maar integendeel, een verrichting onder bezwarende titel tegen marktconforme voorwaarden, zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.5 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, bij overlijden van één of beide echtgenoten X-Y binnen een periode van drie jaar na het stellen van de verrichtingen.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Artikel 2.7.1.0.6 VCF

50. Artikel 2.7.1.0.6 VCF beoogt om bepaalde bedingen ten behoeve van een derde, al dan niet onder de vorm van een levensverzekering, aan erfbelasting te onderwerpen.  De vraag stelt zich in hoeverre één of meer van de beoogde verrichtingen aldus aanleiding zouden kunnen geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF bij overlijden van X en/of Y.  Inzonderheid stelt zich die vraag naar aanleiding van de aanwas van vruchtgebruik bij overlijden van één van de echtgenoten X-Y in het voordeel van de langstlevende van hen. 

Er is, naar de mening van de Aanvragers, geen enkele reden om deze aanwas op fiscaal vlak anders te behandelen dan op de wijze uiteengezet in het Vlabel-Standpunt nummer 16092 van 14 november 2016, dat terzake een beding van aanwas met betrekking tot een recht of prestatie voorbehouden of bedongen bij de vervreemding van goederen, het volgende voorziet:

“Indien twee vervreemders een goed vervreemden en zich bv. een vruchtgebruik voorbehouden of een rente bedingen, wordt elk van de vervreemders geacht voor zichzelf te hebben bedongen.

Indien het beding van aanwas zich realiseert is er geen belastbare overdracht voor de registratiebelasting.

Deze overdracht valt tevens buiten het toepassingsgebied van de erfbelasting, met één uitzondering: als de bedongen prestatie een rente is en de vervreemders zijn echtgenoten gehuwd onder een stelsel van gemeenschap, valt de aanwas van de rente onder de toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF.”.

Voor het overige zit in de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, geen beding ten behoeve van een derde vervat.

51. Bijgevolg zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Artikel 2.7.1.0.7 VCF

52. Artikel 2.7.1.0.7 VCF luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen.  Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing:

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

[…]”.

53.  De Aanvragers ontkennen niet dat de gecombineerde verrichting van (i) ontbinding van de maatschap, (ii) creatie van een nieuwe onverdeeldheid en (iii) omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en blote eigendom weliswaar geen ‘gesplitste’ verkrijging is in de zin van artikel 2.7.1.0.7 VCF, maar niettemin wel leidt tot een ‘gesplitste’ inschrijving waaromtrent zou kunnen geargumenteerd worden dat zij principieel valt, of minstens zou kunnen vallen, onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.7, eerste alinea VCF.

Niettemin vormt deze ‘gesplitste’ inschrijving geen bedekte bevoordeling:

  • zij vormt geen bevoordeling, omdat één en ander wordt uitgewerkt als een gecombineerde verrichting onder bezwarende titel, tegen marktconforme voorwaarden; de verrichtingen, zowel elk afzonderlijk beschouwd dan wel als geheel genomen, houden telkenmale voor elkeen van de betrokken partijen een marktconforme tegenprestatie in; in deze wordt, nogmaals, voor zover nodig, gewezen op het feit dat alle burgerlijke vruchten van het Vermogen zullen toekomen aan de vruchtgebruikers en, na overlijden van één van hen, aan de langstlevende van hen;
  • zij is niet bedekt, omdat de ‘gesplitste’ inschrijving de loutere uitvoering vormt van een overeenkomst (of geheel van overeenkomsten) onder bezwarende titel die tussen de Aanvragers wordt (worden) afgesloten.

Bijgevolg moet ervan worden uitgegaan dat het in artikel 2.7.1.0.7, tweede alinea, 1° VCF vervatte tegenbewijs, met name dat de verkrijging of inschrijving geen bedekte bevoordeling is, op afdoende wijze wordt geleverd.

Ook in combinatie met de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF kan artikel 2.7.1.0.7, eerste alinea VCF naar de mening van de Aanvragers niet worden toegepast.  Voor zover een gecombineerde toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF en de specifieke antimisbruikbepaling vervat in artikel 2.7.1.0.7 VCF al mogelijk zou zijn – quod non, naar de mening van de Aanvragers –, benadrukken de Aanvragers:

  • in hoofdorde, dat geen fiscaal misbruik voorligt;
  • in ondergeschikte orde: dat artikel 3.17.0.0.2 VCF de mogelijkheid laat voor de belastingplichtigen om het tegenbewijs te leveren, met name door aan te tonen dat de keuze voor een welbepaalde rechtshandeling of geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord wordt dan het ontwijken van belasting.

Opdat fiscaal misbruik zou voorliggen, dient een objectief element en een subjectief element aanwezig te zijn.  Er dient te worden gehandeld in strijd met de bedoelingen van de fiscale wet (in casu van artikel 2.7.1.0.7 VCF) (dit is het objectieve element), met als doel het bekomen van een fiscaal voordeel (dit is het subjectieve element).  Beide ontbreken:

  • wat het objectieve element betreft: de fictiebepaling vervat in artikel 2.7.1.0.7 VCF viseert ‘bedekte bevoordelingen’ en heeft bijgevolg als doel (bedrog of belastingontwijking door) ‘bedekte bevoordelingen’ ingevolge ‘gesplitste’ verkrijgingen en/of ‘gesplitste’ inschrijvingen tegen te gaan; dit doel is vervat in de fiscale bepaling zelf, en blijkt alleen reeds uit het feit dat de bepaling zelf niet van toepassing is wanneer bewezen wordt dat er geen ‘bedekte bevoordeling’ is; doordat de verrichting aan marktconforme voorwaarden plaatsvindt – de toegepaste coëfficiënt vruchtgebruik wordt uit de (permanent jaarlijks geactualiseerde) wetgeving zelf gehaald –, kan geen sprake zijn van enig doel tot bevoordeling, en al zeker niet tot bedekte bevoordeling; uiteraard is het wel zo dat, achteraf bekeken, afhankelijk van de omstandigheden (langere of kortere effectieve levensduur dan de statistisch verwachte, stijgende of dalende rentevoeten, …) sprake kan (en wellicht zal) zijn van een voordeel, maar dit voordeel kan zowel een voordeel voor de erfgenamen als een voordeel voor de erflater zijn – dat is eigen aan een levenslang vruchtgebruik; maar dergelijke post factum vaststelling doet uiteraard geen afbreuk aan het feit dat er geen ab initio bedoeling tot bevoordeling is (en al zeker niet tot bedekte bevoordeling);
  • wat het subjectieve element betreft: de Aanvragers beogen in essentie geen fiscaal voordeel te bekomen; het enige oogmerk van de Aanvragers is een niet-fiscaal oogmerk, zijnde een legitiem oogmerk van verhoopte (substantiële) kostenbesparing, en bijhorende eenvoud.

Dit laatste punt levert meteen ook, voor zover überhaupt nog nodig – quod non –, het tegenbewijs, met name de aanwezigheid van andere (substantiële, meer dan louter symbolische) motieven dan het ontwijken van belasting.

54. De beoogde verduidelijking en wijziging van de modaliteiten van de Schenking houden geen ‘gesplitste’ inschrijving noch een ‘gesplitste’ verkrijging in in de zin van artikel 2.7.1.0.7, eerste alinea VCF, hebben er zelfs in de verste verte niets mee te maken.

55. Bijgevolg zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Artikel 2.7.1.0.8 VCF

56. Artikel 2.7.1.0.8 VCF luidt als volgt:

“Als aan de erflater bij een verdeling of bij een met verdeling gelijkgestelde akte een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht toebedeeld is dat vervalt ingevolge zijn overlijden, wordt de verrichting voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met een legaat in het voordeel van de deelgenoten van de erflater, de verkrijgers van de blote eigendom of de personen die belast zijn met het levenslange recht, in de mate waarin die deelgenoten, verkrijgers of personen boven hun deel in de onverdeeldheid goederen in eigendom hebben verkregen.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid;

[…]”.

57. De Aanvragers ontkennen niet dat de gecombineerde verrichting van (i) ontbinding van de maatschap, (ii) creatie van een nieuwe onverdeeldheid en (iii) omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en blote eigendom, zou kunnen worden aanzien als een verdeling of een met verdeling gelijkgestelde akte waarbij aan de (toekomstige) erflaters een vruchtgebruik wordt toebedeeld dat vervalt ingevolge hun overlijden (of althans ingevolge het overlijden van de langstlevende van hen), derhalve principieel vallend binnen het toepassingsgebied van artikel 2.7.1.0.8, eerste alinea VCF.

Ook hier laat de wetgeving evenwel toe het tegenbewijs te leveren door aan te toen dat geen bedekte bevoordeling voorligt.

Zie hiervoor ‘DECUYPER J. en RUYSSEVELT J., ‘Successierechten 2016-2017’, Wolters Kluwer, 2016, nr. 343:

“Om de toepassing van artikel […] [2.7.1.0.8, eerste alinea VCF] te ontlopen moeten de betrokkenen inzonderheid de gelijkwaardigheid van de prestaties bewijzen.

Hiertoe moet men onder meer aantonen:

  • dat de prestaties die bedongen werden in voordeel van de erflater, in eigendom en in levenslange rechten, theoretisch gelijkwaardig waren aan de afstand in eigendom verricht in voordeel van de medegerechtigde in de onverdeeldheid;
  • dat er een werkelijke verplichting tot uitvoering van de tegenprestaties bestond;
  • dat de tegenprestaties daadwerkelijk werden uitgevoerd.”.

Verder, nr. 344:

“[…]

Moeilijkheden kunnen zich echter wel voordoen wanneer het erop aankomt de tegenprestaties die bestaan in levenslange rechten, te evalueren.  Hier moet men rekening houden met de reële waarde van de prestatie, met de vermoedelijke levensduur van de erflater zoals deze voorkomt in de levenstabellen gebruikt door de verzekeringsmaatschappijen, eventueel gekapitaliseerd tegen een normale rentevoet.  Wanneer het gaat om een vruchtgebruik moet men rekening houden met de werkelijke tegenwaarde van het vruchtgebruik, afhangend van de aard van de goederen, en niet met een forfaitair bedrag bepaald overeenkomstig de […] [VCF].  Het kan in bepaalde gevallen eveneens nodig zijn de vermoedelijke levensduur aan te passen in min of meer gelet op de gezondheidstoestand van de overlater […]”.

De Aanvragers zijn van mening dat zij de gelijkwaardigheid van de prestaties aantonen, en dus het tegenbewijs voorzien in artikel 2.7.1.0.8, tweede alinea VCF leveren, als volgt:

(i)         de Aanvragers gaan ervan uit dat het meest objectieve element om de theoretische gelijkwaardigheid van de prestaties te staven, het gebruik is van de omzettingstabellen vruchtgebruik zoals deze jaarlijks door de Minister van Justitie bepaald worden, rekening houdend met de gemiddelde rentevoet over de laatste twee jaar van de lineaire obligaties waarvan de maturiteit gelijk is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker, en voorts met de Belgische prospectieve sterftetafels die jaarlijks worden gepubliceerd door het Federaal Planbureau (cf. artikel 745sexies, §3 BW); deze omzettingstabellen bieden een wettelijk houvast voor het geval van betwistingen omtrent de waarde vruchtgebruik, en zijn dus per definitie als dusdanig marktconform;

(ii)        de Aanvragers zijn zich er niettemin van bewust dat (de omvang van) het vruchtgebruik over een beleggingsportefeuille mede bepaald wordt door het beheer, met name door de wijze waarop het vermogen wordt belegd (keuze uit verschillende types van beleggingsproducten, …); dit beheer berust bij de vruchtgebruikers, zoals uiteengezet; teneinde te vermijden dat het vruchtgebruik feitelijk door de vruchtgebruikers zou uitgehold worden door de keuze van welbepaalde beleggingsproducten (bijvoorbeeld kapitalisatie-effecten), zijn de Aanvragers bereid, indien de goedkeuring van onderhavige aanvraag tot voorafgaande beslissing daarvan zou afhankelijk gesteld worden, om in de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars het vruchtgebruik conventioneel te omschrijven (uit te breiden) als:

  • de netto-vruchten (burgerlijke vruchten min kosten) (zie o.a. randnummer 47);
  • plus, indien deze netto-vruchten in een welbepaald jaar in waarde kleiner zijn dan 1% (één procent) van de waarde van het vermogen waarop het vruchtgebruik betrekking heeft, een bedrag gelijk aan het verschil;

aldus wordt, bij een statistische levensverwachting van Y van 21,64 jaar, en bij een per hypothese stabiele waarde van het Vermogen (€ 2.423.267,33), het volledige kapitaal ad € 514.217,33 minstens ‘gereconstrueerd’: 1% * € 2.423.267,33 * 21,64 = € 524.395,05;

daarbij wordt opgemerkt dat het voorgaande niet uitsluit dat in de toekomst door de echtgenoten X-Y, of door één van hen, eventueel zou kunnen worden verzaakt aan het vruchtgebruik, geheel of gedeeltelijk, al was het maar om de ‘ongelijkheid’ (ongelijke percentages in blote eigendom van het Vermogen) tussen de kinderen […] te herstellen; daardoor zou de waarde van het vermogen waarop het vruchtgebruik betrekking heeft, kleiner kunnen worden; evenwel zou dergelijke verzaking dan uiteraard wel haar eigen fiscaal stelsel ondergaan;

(iii)       er is een werkelijke verplichting tot uitvoering van de tegenprestaties: contractueel zou worden voorzien dat de vruchtgebruikers de vruchten, desgevallend conventioneel uitgebreid zoals sub (ii) voorzien, effectief zullen ontvangen; er zou niet worden voorzien in enige vorm van aanwas van de vruchten bij de blote eigendom ingeval van niet-opname van de vruchten;

(iv)       de vruchten, desgevallend conventioneel uitgebreid zoals sub (ii) voorzien, zouden effectief op rekening van de vruchtgebruikers geboekt worden; de Aanvragers zijn er zich van bewust dat dit pas post factum kan beoordeeld worden, maar zij zijn in elk geval bereid om zich daartoe te verbinden;

hierbij wordt opgemerkt dat deze effectieve boeking op rekening van de vruchtgebruikers uiteraard niet inhoudt dat de vruchtgebruikers naderhand niet op enige wijze zouden kunnen beschikken over deze vruchten (vertering, wederbelegging, schenking, …);

(v)        er zijn geen redenen om aan te nemen dat de werkelijke levensverwachting van Y – de vruchtgebruiker met de langste levensverwachting – afwijkt van de statistische levensverwachting; zie daartoe het medisch attest in bijlage.

Ook in combinatie met de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF kan artikel 2.7.1.0.8, eerste alinea VCF naar de mening van de Aanvragers niet worden toegepast.  Voor zover een gecombineerde toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF en de specifieke antimisbruikbepaling vervat in artikel 2.7.1.0.8 VCF al mogelijk zou zijn – quod non, naar de mening van de Aanvragers –, benadrukken de Aanvragers:

  • in hoofdorde, dat geen fiscaal misbruik voorligt;
  • in ondergeschikte orde: dat artikel 3.17.0.0.2 VCF de mogelijkheid laat voor de belastingplichtigen om het tegenbewijs te leveren, met name door aan te tonen dat de keuze voor een welbepaalde rechtshandeling of geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord wordt dan het ontwijken van belasting.

Ter argumentatie verwijzen de Aanvragers naar de argumentatie opgenomen onder randnummer 53, hier van overeenkomstige toepassing.

58. De beoogde verduidelijking en wijziging van de modaliteiten van de Schenking houden geen verrichting in in de zin van artikel 2.7.1.0.8, eerste alinea VCF, hebben er zelfs in de verste verte niets mee te maken.

59. Bijgevolg zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.8 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden, althans mits effectieve uitvoering van de tegenprestaties, post factum te beoordelen.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Indien uw diensten de goedkeuring van onderhavige aanvraag tot voorafgaande beslissing zouden afhankelijk stellen van de voorwaarde van conventionele uitbreiding van het vruchtgebruik zoals hiervóór uiteengezet in randnummer 57, zullen de Aanvragers die conventionele uitbreiding opnemen in de overeenkomst tot regeling van de wederzijdse rechten en verplichtingen van vruchtgebruikers en blote eigenaars.

Artikel 2.7.1.0.9 VCF

60. Artikel 2.7.1.0.9 VCF luidt als volgt:

“Als roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zij nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als:

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

[…]”.

61.  Artikel 2.7.1.0.9 VCF viseert verrichtingen onder bezwarende titel, waarbij de erflater een goed aan één van zijn erfgenamen, legatarissen, begiftigden (of aan een tussenpersoon) heeft afgestaan, en zich het vruchtgebruik of om het even welk ander levenslang recht heeft voorbehouden.  Dit artikel beoogt overeenkomsten die in het vooruitzicht van het overlijden van de schenker werden gedaan onder het mom van een overeenkomst onder bezwarende titel (in principe niet belastbaar met erfbelasting), alsnog te belasten met erfbelasting door ze te ‘ontmaskeren’ als een overeenkomst onder kosteloze titel.

Opdat artikel 2.7.1.0.9 VCF zou kunnen worden toegepast, dient naar de buitenwereld toe een overeenkomst onder bezwarende titel voor te liggen.  Inzonderheid dient het te gaan om een rechtshandeling onder kosteloze titel die bewust ten onrechte als een rechtshandeling onder bezwarende titel wordt gekwalificeerd.

62. De Aanvragers ontkennen niet dat zou kunnen geargumenteerd worden dat de gecombineerde verrichting van (i) ontbinding van de maatschap, (ii) creatie van een nieuwe onverdeeldheid en (iii) omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en blote eigendom minstens ten dele zou kunnen vallen onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.9, eerste alinea VCF.  Niettemin menen zij reeds ten overvloede te hebben aangetoond dat deze verrichtingen, zowel elk afzonderlijk als gecombineerd, werkelijk onder bezwarende titel zouden worden afgesloten, en dus geen overeenkomst onder kosteloze titel maskeren, bijgevolg geen bedekte bevoordeling vormen.

Ook in combinatie met de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF kan artikel 2.7.1.0.9, eerste alinea VCF naar de mening van de Aanvragers niet worden toegepast.  Voor zover een gecombineerde toepassing van artikel 3.17.0.0.2 VCF en de specifieke antimisbruikbepaling vervat in artikel 2.7.1.0.9 VCF al mogelijk zou zijn – quod non, naar de mening van de Aanvragers –, benadrukken de Aanvragers:

  • in hoofdorde, dat geen fiscaal misbruik voorligt;
  • in ondergeschikte orde: dat artikel 3.17.0.0.2 VCF de mogelijkheid laat voor de belastingplichtigen om het tegenbewijs te leveren, met name door aan te tonen dat de keuze voor een welbepaalde rechtshandeling of geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord wordt dan het ontwijken van belasting.

Ter argumentatie verwijzen de Aanvragers naar de argumentatie opgenomen onder randnummer 49, hier van overeenkomstige toepassing.  Zij verzoeken dan ook bevestigd te zien dat de gecombineerde verrichting van (i) ontbinding van de maatschap, (ii) creatie van een nieuwe onverdeeldheid en (iii) omzetting van volle eigendom in vruchtgebruik en blote eigendom, geen aanleiding zal geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden.

63. De Schenking, dd. xx.xx.2011, werd openlijk als een schenking gekwalificeerd.  Artikel 2.7.1.0.9 VCF is niet van toepassing op rechtshandelingen die openlijk als een schenking worden gekwalificeerd.  In de mate evenwel toch zou worden geoordeeld dat artikel 2.7.1.0.9 VCF van toepassing kan zijn als de rechtshandeling openlijk wordt gekwalificeerd als een schenking, dient te worden gesteld dat de vermogensoverdracht, uit hoofde van de Schenking, aan de kinderen […] niet onder bezwarende titel is gebeurd.

Een overeenkomst onder bezwarende titel houdt immers in dat er een wederkerige overeenkomst is die voor de wederpartijen een pecuniair voordeel oplevert.  Levert zij voor één van de wederpartijen geen dergelijk voordeel op, dan is zij dat niet.  Wanneer een vermogensvoordeel derhalve zonder gelijkwaardig geachte economische tegenprestaties van één vermogen (dat van de echtgenoten X-Y) naar een ander vermogen (dat van de kinderen […]) overgaat, ligt een overeenkomst om niet voor.

Teneinde een overeenkomst te kwalificeren, moet worden gekeken naar de bedoeling van de partijen.  Er dient immers te worden nagegaan of de prestaties subjectief gelijkwaardig zijn, of niet.  De schenkingsovereenkomst was duidelijk bedoeld om onder kosteloze titel te geschieden.  De echtgenoten X-Y hebben immers ‘delen’ van de Maatschap geschonken aan hun kinderen, zonder dat de kinderen hiervoor bij de verkrijging van deze ‘delen’ een gelijkwaardige tegenprestatie dienden te leveren ten voordele van hun ouders.  Enkel de kinderen hebben een economisch voordeel door de Schenking bekomen.  Zij hebben zich verrijkt, terwijl hun ouders zich hebben verarmd.

Daarnaast blijkt ook uit een aantal modaliteiten dat de akte ten titel van schenking en dus onder kosteloze titel is gesteld.  Er wordt bijvoorbeeld verwezen naar de artikelen uit het Burgerlijk Wetboek omtrent de herroeping van een schenking bij niet-vervulling van een last door de begiftigden, en er werd bepaald dat de Schenking is gebeurd als voorschot op erfdeel.

Aan de Schenking was voorts onder andere de Rentelast verbonden, op grond waarvan elke begiftigde ertoe gehouden is om per halfjaar aan de schenkers een bedrag van € 9.600,00 (negenduizend zeshonderd euro) te betalen, telkenmale op de eerste bankwerkdag van januari en juli, met dien verstande:

  • dat het bedrag van de rente indexeerbaar is op basis van de evolutie van het Belgisch gezondheidsindexcijfer;
  • dat de rente slechts betaalbaar op verzoek, geheel of gedeeltelijk, desgevallend in schijven, en dat het recht op betaling ervan in hoofde van de schenkers van rechtswege vervalt één jaar na het opeisbaar worden;
  • dat het recht op de rente sowieso van rechtswege vervalt bij het overlijden van de eerststervende schenker; en
  • dat de begiftigden het recht hebben om van de schenkers te eisen dat het desgevallend opgevraagde bedrag, althans gedurende het bestaan van de maatschap, volledig wordt opgenomen uit het aandeel van de begiftigden in de inkomsten en, indien deze ontoereikend zouden zijn, wordt aangerekend op de toekomstige inkomsten.

De Rentelast doet geen afbreuk aan het kosteloze karakter van de Schenking.  De Rentelast is immers een last verbonden aan de Schenking, maar ze kan perfect worden voldaan met het geschonken vermogen.  Er werd zelfs in de Schenkingsakte bepaald dat de begiftigden het recht hebben om van de schenkers te eisen dat het desgevallend opgevraagde bedrag, althans gedurende het bestaan van de Maatschap, volledig wordt opgenomen uit het aandeel van de begiftigden in de inkomsten en, indien deze ontoereikend zouden zijn, wordt aangerekend op de toekomstige inkomsten.

Met de Schenking ligt dus duidelijk geen overeenkomst onder bezwarende titel voor, al dan niet onder de vorm van een kanscontract.  Overigens werd de Rentelast tot op heden door de schenkers nooit werd opgevraagd, wat ten overvloede het bestaan van een overeenkomst onder bezwarende titel bewijst.  Niettemin, teneinde hieromtrent niet de minste twijfel te laten bestaan, wensen de Aanvragers nu, ter verduidelijking, aan de modaliteit omtrent de Rentelast het volgend beding toe te voegen:

“Het voorgaande dient aldus te worden gelezen en geïnterpreteerd dat de mogelijkheid tot het achtereenvolgens opvragen van de rente door de Schenkers vanzelfsprekend niet zo ver kan gaan dat geen duidelijke schenking meer voorligt.  Het desgevallend achtereenvolgens opvragen van de rente dient uiteraard steeds, in alle omstandigheden, aldus te gebeuren dat een substantiële verrijking aanwezig is en blijft in hoofde van de Begiftigden (en een substantiële verarming in hoofde van de Schenkers), en dient derhalve steeds indien nodig binnen deze grenzen beperkt te worden.  Teneinde hierover alle onduidelijkheden te vermijden, bepalen de comparanten hierbij alvast dat het nooit zo kan zijn dat het achtereenvolgens opvragen en opnemen van de rente ertoe leidt dat aan de Begiftigde méér zou kunnen worden gevraagd dan 30% (dertig procent) van de waarde van het voorwerp van de Schenking aan elke Begiftigde.  In de mate de Begiftigde op een bepaald ogenblik van opvraging of opname van de rente niet minstens 70% (zeventig procent) van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, zou kunnen behouden, kunnen de Schenkers op dat ogenblik geen rente opvragen of opnemen, ook al hebben de Schenkers op dat ogenblik nog geen 30% van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, opgevraagd aan de Begiftigde.  Vanaf het ogenblik waarop de Begiftigde wel minstens 70% van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, zou kunnen behouden, kunnen de Schenkers opnieuw de rente opvragen of opnemen, zij het dat zij uiteraard nooit méér dan 30% van de waarde van het voorwerp van de Schenking, gewaardeerd op het ogenblik van de Schenking, kunnen opvragen aan de Begiftigde.”.

Door deze verduidelijking wordt, voor zover als nodig, beklemtoond dat met de Schenking uit 2011 een verrichting onder kosteloze titel, een schenking voorligt.

De algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF laat niet toe om een verrichting waarvan aldus overduidelijk werd aangetoond en bevestigd dat zij geen overeenkomst onder bezwarende titel is, alsnog te kwalificeren als een overeenkomst onder bezwarende titel om ze aldus toch onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF te brengen.

Minstens na deze verduidelijking kan er aldus geen twijfel meer bestaan over het feit dat artikel 2.7.1.0.9 VCF niet van toepassing kan zijn op de Schenking, ook niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Deze verduidelijking zal, samen met de overige verduidelijkingen en wijzigingen aan de Schenkingsakte, worden opgenomen in een onderhandse overeenkomst dan wel in een akte te verlijden voor Nederlands notaris.

Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF

64. Artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF bepaalt dat met het oog op de heffing van het successierecht als legaten worden beschouwd: “alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker”.

65. De Aanvragers menen reeds ten overvloede te hebben aangetoond dat de beoogde verrichtingen, zowel elk afzonderlijk genomen dan wel als geheel beschouwd, onder bezwarende titel, aan marktconforme voorwaarden zouden worden afgesloten, en dus onder geen beding als een schenking kunnen worden beschouwd.  Bijgevolg is de vraag of een schenking “onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker” voorligt, niet aan de orde.

Ook de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF laat niet toe om een verrichting waarvan overduidelijk werd aangetoond en bevestigd dat zij een overeenkomst onder bezwarende titel is, alsnog te kwalificeren als een overeenkomst onder kosteloze titel, en al zeker niet als een overeenkomst onder kosteloze titel die wordt verricht “onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker”, om ze alsnog onder de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF te brengen.

66. Bijgevolg zal, naar de mening van de Aanvragers, geen van de voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, aanleiding geven tot de toepassing van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, en dus tot de heffing van erfbelasting uit hoofde hiervan, en dit noch bij overlijden van de eerstervende van de echtgenoten X-Y noch bij overlijden van de langstlevende van hen noch bij hun eventueel gelijktijdig overlijden.  De Aanvragers verzoeken dan ook dit bevestigd te zien.

Enige andere bepaling, al dan niet in combinatie met de algemene antimisbruikbepaling vervat in artikel 3.17.0.0.2 VCF

67. De Aanvragers verzoeken tot slot bevestigd te zien dat ook geen enkele andere bepaling, al dan niet in combinatie met artikel 3.17.0.0.2 VCF, zal kunnen worden toegepast op het geheel van voorgenomen verrichtingen, elk afzonderlijk dan wel als geheel beschouwd, op grond waarvan bij overlijden van de echtgenoten X-Y, of van één van hen, erfbelasting zou verschuldigd zijn.

Aanwezigheid van niet-fiscale motieven

68. De Aanvragers menen reeds afdoende te hebben aangetoond dat er (voldoende relevante) niet-fiscale motieven zijn om de voorgenomen verrichtingen te stellen, voor het geval de Vlaamse Belastingdienst om enige reden van oordeel zou zijn dat zij fiscaal misbruik kan inroepen.  Meer zelfs, de Aanvragers verklaren met stellige zekerheid dat zij bij het stellen van de beoogde verrichtingen uitsluitend niet-fiscale motieven hebben.

Onder de randnummer 19 tot en met 22 hebben de Aanvragers hun motieven uiteengezet.  Er wordt hier bij deze, voor zover als nodig, naar verwezen.

[top]

IV. Beslissing

69. Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing.

70. Onder voorafgaande beslissing wordt verstaan de juridische handeling waarbij de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn, vaststelt hoe de bepaling van de VCF wordt toegepast op een bijzondere situatie of verrichting, die op fiscaal vlak nog geen uitwerking heeft gehad. De Vlaamse Belastingdienst doet bijgevolg geen uitspraak over de rechtsgeldigheid van overeenkomsten op burgerrechtelijk vlak, zoals bijvoorbeeld de voorgestelde wijziging van de modaliteiten van de reeds verleden schenkingsakte.

71. Artikel 3.22.0.0.1, §2, eerste lid, 3° VCF stelt duidelijk dat de aanvraag de verwijzing moet bevatten naar de wettelijke of reglementaire bepalingen waarop de beslissing moet slaan.

72. De voorafgaande beslissing heeft bijgevolg enkel betrekking op die specifieke artikelen waarnaar in de aanvraag uitdrukkelijk verwezen wordt. Er kan niet worden ingegaan op een vraag tot toepassing van de erfbelasting in het algemeen.

73. Volgende artikelen uit de VCF worden onderzocht (in het licht van een eventueel overlijden van de eerststervende ouder, van de langstlevende ouder, desgevallend van gelijktijdig overlijden van de beide ouders):

  • artikel 2.7.1.0.1 VCF, dat luidt als volgt:

“Overeenkomstig artikel 3, 4°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten wordt het successierecht en het recht van overgang gevestigd op de goederen die overgaan ingevolge het overlijden.”       

  • artikel 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF, dat luidt als volgt:

“Naast het geval, vermeld in het eerste lid, is de erfbelasting ook verschuldigd op een verkrijging van vruchtgebruik met toepassing van artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, tenzij de langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende aan het vruchtgebruik heeft verzaakt conform paragraaf 6 van het voormelde artikel.”

  • artikel 2.7.1.0.3,3° VCF, dat luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd :

3° alle schenkingen van roerende goederen die de erflater heeft gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker.”

  • artikel 2.7.1.0.5 VCF, dat luidt als volgt:

“§ 1. De goederen waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie het bewijs levert dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, worden geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden. De erfgenamen of legatarissen hebben een verhaalsrecht ten aanzien van de begiftigde voor de successierechten die op die goederen voldaan zijn.

Als door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of door de erfgenamen en legatarissen bewezen wordt dat de bevoordeling toekwam aan een bepaalde persoon, wordt die als legataris van de geschonken zaak beschouwd.

Voor de toepassing van deze paragraaf wordt een bevoordeling waarvoor een vrijstelling van de schenkbelasting is toegepast, gelijkgesteld met een bevoordeling die aan de schenkbelasting of aan het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen.

§ 2. De termijn van drie jaar, vermeld in paragraaf 1, wordt evenwel op zeven jaar gebracht als het gaat om aandelen en activa als vermeld in artikel 2.8.6.0.3.

De termijn van zeven jaar, vermeld in het eerste lid, wordt teruggebracht tot drie jaar als de kosteloze beschikking dagtekent van voor 1 januari 2012.”

  • artikel 2.7.1.0.6 VCF, dat luidt als volgt:

Ҥ 1. De sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater of door een derde in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon zijn toegekomen, binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Als de erflater een contract had afgesloten op grond waarvan er pas een uitkering kan gebeuren na het overlijden van de erflater, worden de sommen, renten of waarden geacht kosteloos te worden verkregen, en geacht als legaat te zijn verkregen, naar gelang van het geval:

1° door de persoon die het levensverzekeringscontract afkoopt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip van de afkoop;

2° door de persoon die de sommen, renten of waarden effectief verkrijgt na het overlijden van de erflater, op het tijdstip dat er een uitkering gebeurt.

Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste, het tweede en het derde lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een levensverzekeringscontract of een contract met vestiging van rente dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.

§ 2. Dit artikel is van toepassing op de sommen of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen bij het overlijden van degene die een levensverzekering aan order of aan toonder is aangegaan.

De persoon, vermeld in dit artikel, wordt vermoed kosteloos te ontvangen, behoudens tegenbewijs. Dit tegenbewijs kan niet worden geleverd door aan te tonen dat het contract werd geschonken aan deze persoon.

Dit artikel is niet van toepassing op :

1° de sommen, renten of waarden die verkregen zijn ingevolge een beding dat aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden is onderworpen;

2° de renten en kapitalen die gevestigd zijn ter uitvoering van een wettelijke verplichting;

3° de renten en kapitalen die door tussenkomst van de werkgever van de erflater gevestigd zijn in het voordeel van de langstlevende echtgenoot van de erflater of zijn kinderen die de leeftijd van eenentwintig jaar niet hebben bereikt, tot uitvoering van hetzij een groepsverzekeringscontract, onderschreven ingevolge een bindend reglement van de onderneming dat beantwoordt aan de voorwaarden, gesteld door de reglementering betreffende de controle van dergelijke contracten, hetzij het bindend reglement van een voorzorgsfonds, opgericht in het voordeel van het personeel van de onderneming;

4° de sommen, renten of waarden die bij het overlijden van de erflater worden verkregen ingevolge een contract dat een door een derde in het voordeel van de verkrijger gemaakt beding bevat, als er bewezen wordt dat die derde kosteloos in het voordeel van de verkrijger heeft bedongen.”

  • artikel 2.7.1.0.7 VCF, dat luidt als volgt:

“De roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, worden, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. Hetzelfde geldt voor effecten aan toonder of op naam en voor geldbeleggingen die voor het vruchtgebruik ingeschreven zijn op naam van de erflater en voor de blote eigendom op naam van een derde.

Het eerste lid is niet van toepassing :

1° als wordt bewezen dat de verkrijging geen bedekte bevoordeling van de derde is;

2° als de erflater langer heeft geleefd dan de derde of als de derde niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • artikel 2.7.1.0.8 VCF, althans mits effectieve uitvoering van de tegenprestaties, post factum te beoordelen, zoals verder uiteengezet en dat luidt als volgt:

“Als aan de erflater bij een verdeling of bij een met verdeling gelijkgestelde akte een vruchtgebruik, een rente of elk ander recht toebedeeld is dat vervalt ingevolge zijn overlijden, wordt de verrichting voor de heffing van de erfbelasting gelijkgesteld met een legaat in het voordeel van de deelgenoten van de erflater, de verkrijgers van de blote eigendom of de personen die belast zijn met het levenslange recht, in de mate waarin die deelgenoten, verkrijgers of personen boven hun deel in de onverdeeldheid goederen in eigendom hebben verkregen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verrichting geen bedekte bevoordeling is van de verscheidene deelgenoten in de onverdeeldheid;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de deelgenoot in de onverdeeldheid, de verkrijger van de blote eigendom of de persoon die belast is met het levenslange recht, of als de voormelde personen niet behoren tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • artikel 2.7.1.0.9 VCF, dat luidt als volgt:

“Als de roerende of onroerende goederen door de erflater onder bezwarende titel zijn verkocht of afgestaan, worden ze voor de heffing van de erfbelasting geacht deel uit te maken van zijn nalatenschap en als legaat te zijn verkregen door de verkrijger of door de overnemer als de erflater zich volgens de overeenkomst ofwel een vruchtgebruik heeft voorbehouden op de afgestane goederen of op andere goederen, ofwel de afstand van om het even welk ander levenslange recht in zijn voordeel heeft bedongen.

Het eerste lid is niet van toepassing als :

1° wordt bewezen dat de verkoop of de afstand geen bedekte bevoordeling is van de verkrijger of van de overnemer;

2° de erflater langer heeft geleefd dan de verkrijger of de overnemer, of als de verkrijger of de overnemer niet behoort tot de personen, vermeld in artikel 2.7.3.4.4, eerste, tweede en derde lid.”

  • artikel 3.17.0.0.2 VCF, dat luidt als volgt:

“Aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat een zelfde verrichting tot stand brengt, wanneer die entiteit door vermoedens of door andere bewijsmiddelen, vermeld in artikel 3.17.0.0.1, en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.

Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige door middel van de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt :

1° hetzij een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst;

2° hetzij een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel, voorzien door een bepaling van deze codex of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten, en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van de belasting. Als de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van deze codex onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”

74. De beoogde (en te beoordelen) verrichtingen zijn – in chronologische volgorde:

1. ontbinding van de bestaande maatschap ‘Z’, waarin de eigendomsverhoudingen als volgt waren (in volle eigendom van het maatschapsvermogen):

  •  de echtgenoten X-Y : elk 1,05% (weliswaar behorende tot de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap);
  • A 25,69%
  • B 25,69%
  • C 20,83%;
  • D 25,69%.

2. creatie van een onverdeeldheid (met de tegoeden voortkomend uit de ontbinding van de maatschap), waarin de ouders bijkomend tegoeden onderbrengen, meer concreet zou in onverdeeldheid worden gebracht:

  • door de kinderen […]: hun gezamenlijk scheidingsdeel in het voormalig maatschapsvermogen, ter waarde van € 1.909.050,00;
  • door de echtgenoten X-Y : hun gezamenlijk scheidingsdeel in het voormalig maatschapsvermogen, ter waarde van € 40.950,00;
  • en bovendien door de echtgenoten X-Y : andere vermogensbestanddelen (liquiditeiten en/of effecten) die zij, namens de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap, aanhouden op rekening bij […], ter waarde van € 473.267,33.

De aandelen in de onverdeeldheid zouden er als volgt uitzien (volle eigendom):

  • De echtgenoten X-Y :  21,22%
  • A : 20,673% 
  • B : 20,673%
  • C: 16,761%
  • D: 20,673%.

3. omzetting:

  • in vruchtgebruik (over het totaal onverdeeld vermogen) van het onverdeeld deel dat de ouders samen in volle eigendom in de onverdeeldheid bezitten. Bij overlijden van één ouder zal zijn of haar vruchtgebruik aanwassen in het voordeel van de langstlevende van hen;
  •  in blote eigendom (van het totaal onverdeeld vermogen) van het onverdeeld deel dat de kinderen samen in volle eigendom in de onverdeeldheid bezitten,

4. middels onderhandse overeenkomst dan wel via akte te verlijden voor Nederlands notaris worden enkele verduidelijkingen en aanpassingen aangebracht aan een akte schenking uit 2011 op grond waarvan ‘delen’ in het maatschapsvermogen werden geschonken.

75. Beoordeling.

  • Art. 2.7.1.0.1 VCF
    Dit artikel handelt over de samenstelling van de totale nalatenschap. Huidige aanvraag handelt enkel over een gediversifieerde beleggingsportefeuille (liquiditeiten en effecten). Hoe de totale nalatenschap er op datum van overlijden zal uitzien en in welke eigendomsverhouding, kan op dit ogenblik niet beoordeeld worden, zodat over de toepassing van dit artikel geen uitsluitsel kan gegeven worden.
  • Art. 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF
    Het wettelijk voortgezet vruchtgebruik wordt inderdaad niet verkregen als de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik op het geschonken goed verkrijgt door de werking van een conventioneel beding van aanwas of van terugvalling.
    Indien dit op datum van overlijden het geval is, zal art. 2.7.1.0.2, tweede alinea VCF niet worden toegepast.
  • Art. 2.7.1.0.3,3° VCF
    Dit artikel is niet aan de orde vermits er geen bepalingen zijn opgenomen in de voorgenomen rechtshandelingen, die ten aanzien van de kinderen als opschortende voorwaarde/termijn kunnen gelden.
  • Art. 2.7.1.0.5, 2.7.1.0.7, 2.7.1.0.8, 2.7.1.0.9 VCF
    Op de voorgenomen verrichtingen zal het art. 2.7.1.0.8 VCF worden toegepast aangezien er een verdeling of een met verdeling gelijkstaande afstand plaatsvindt waarbij:
    - de toekomstige erflater aandelen in eigendom heeft afgestaan en als tegenprestatie een levenslang recht heeft bekomen;
    - de deelgenoot die het levenslang recht moet uitvoeren een aandeel in eigendom boven zijn aandeel in de onverdeeldheid heeft verkregen.
    Het tegenbewijs is toegelaten, dat inhoudt dat bij het overlijden van elk van de vruchtgebruikers het bewijs geleverd wordt dat er geen sprake is van een bedekte bevoordeling. Er moet dan worden aangetoond dat:
    - de bij de verrichting bedongen prestaties gelijkwaardig waren;
    - en dat de prestaties wel degelijk werden uitgevoerd.
    Aangezien dit een bewijsproblematiek is, kan hierover geen uitspraak worden gedaan in een voorafgaande beslissing. Aanvrager is zich hier trouwens van bewust aangezien in de aanvraag uitdrukkelijk vermeld wordt naast het te onderzoeken artikel 2.7.1.0.8 VCF: “althans mits effectieve uitvoering van de tegenprestaties, post factum te beoordelen”.
    Vermits het artikel 2.7.1.0.8 VCF van toepassing is, is de vraag naar de toepassing van de artikelen 2.7.1.0.5, 2.7.1.0.7 en 2.7.1.0.9 VCF niet meer relevant.
  • Art. 2.7.1.0.6 VCF
    Aanvrager stelt dat het Vermogen zou bestaan uit een gediversifieerde beleggingsportefeuille (randnummer 28). Voor zover hierin ook beleggingsverzekeringen opgenomen zouden zijn, bijvoorbeeld van het type “Tak 21” of “Tak 23” (opsomming is niet exhaustief), is het artikel 2.7.1.0.6 VCF wel degelijk van toepassing. Overeenkomsten die betrekking hebben op een overdracht van de polis (m.a.w. van de rechten van de verzekeringnemer), zoals bvb. aanwasbedingen, beletten immers de toepassing van dit artikel niet want dit artikel belast het geldelijk voordeel dat wordt verkregen uit de polis.
    Op de voorgenomen aanwasovereenkomst van het vruchtgebruik is het artikel 2.7.1.0.6 VCF als dusdanig niet van toepassing.

Gelet op het voorgaande, is een onderzoek naar de toepassing van de antimisbruikbepaling van artikel 3.17.0.0.2 VCF op de voorgenomen rechtshandelingen niet meer relevant.

76. Deze beslissing heeft alleen betrekking op erfbelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

[top]

--------------------

- publicatie op 16.10.2020