Uitbreng bvba

Voorafgaande beslissing nr. 18048 dd. 26.11.2018

Art. 2.9.1.0.4. VCF


 

Inhoud

  1. Voorwerp van de aanvraag
  2. Omschrijving van de verrichting(en)
  3. Motivering van de aanvraag
  4. Beslissing

 

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt er toe te vernemen of bij de verkrijging van de gezinswoning met garage/berging door de echtgenoten X-Y van hun vennootschap, de bvba “A”, artikel 2.9.1.0.4, eerste lid, VCF dan wel artikel 2.9.1.0.4, tweede lid, VCF zal worden toegepast.

[top]

II. Omschrijving van de verrichting(en)

II. A. Identiteit van de aanvrager en de partijen

2. De aanvraag wordt ingediend door de echtgenoten X-Y, te weten:

de heer X […] en zijn echtgenote mevrouw Y […], samenwonende te […].

3. De betrokken partij is de bvba “A”, […].

4. Het betrokken onroerend goed is: De gezinswoning met garage/berging gelegen te […]

II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichting(en)

5. De heer X en mevrouw Y zijn in de zomer van 1979 gehuwd onder het stelsel van algemene gemeenschap. Een jaar later werd door de ouders van mevrouw Y een bouwgrond geschonken aan hun dochter, welke ingevolge hun huwelijksvermogensstelsel in de algemene huwgemeenschap viel bestaande tussen het echtpaar X. De gezinswoning met garage/berging werd vervolgens op de desbetreffende bouwgrond opgericht.

6. In december 1993 richten de echtgenoten X – Y een naamloze vennootschap “A” op, waarbij een inbreng in natura wordt verricht van de gezinswoning met garage/berging. De echtgenoten X – Y zijn de enige aandeelhouders van de naamloze vennootschap.

7. De naamloze vennootschap “A” koopt nadien nog een aantal andere onroerende goederen aan (o.m. percelen grond grenzend aan de gezinswoning en handelsgoederen).

8. In juni 2015 werd de naamloze vennootschap “A” omgezet naar een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “A”. Er wordt niet geraakt aan het aandeelhouderschap, zodat de echtgenoten X – Y de enige aandeelhouders van de vennootschap blijven.

9. De omzetting vond plaats:

9.1. Omwille van de wens om met 1 zaakvoerder te (kunnen) werken (zodat bij overlijden van 1 van de echtgenoten, de andere echtgenoot de vennootschap alleen kan besturen),

9.2. Omwille van de ruimere mogelijkheden tot kapitaalverlagingen (gelet op de gevorderde en bijna pensioengerechtigde leeftijd van de heer X),

9.3. de wens om de vennootschap eventueel over te laten aan 1 zoon.

10. Thans wensen de echtgenoten X–Y het onroerend goed vermeld in punt 4 via kapitaalvermindering uit de vennootschap te halen, gelet op de nakende pensionering van de heer X.

[top]

III. Motivering van de aanvraag

11. De uitbreng van het onder punt 1 vermelde onroerend goed door de echtgenoten X – Y uit hun vennootschap wordt gemotiveerd door de nakende pensionering van de heer X.

12. De zoon zal de vennootschap/activiteit overnemen.

[top]

IV. Beslissing

Gelet op artikel 3.22.0.0.1 VCF komt het besluitvormingsorgaan tot de volgende voorafgaande beslissing:
13. Art. 2.9.1.0.4 VCF luidt:

“Het verkooprecht wordt ook gevestigd op de verkrijging, op welke wijze ook, maar anders dan bij inbreng in een vennootschap, door een of meer vennoten van onroerende goederen die in België liggen en die voortkomen van een vennootschap onder firma, van een gewone commanditaire vennootschap, van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of van een landbouwvennootschap.

De verkrijging zal evenwel belast worden volgens haar gemeenrechtelijke aard als het gaat om :

1° onroerende goederen die in de vennootschap zijn ingebracht, als ze verkregen zijn door de persoon die de inbreng gedaan heeft;

2° onroerende goederen die door de vennootschap met betaling van het verkooprecht verkregen zijn, als het vaststaat dat de vennoot die eigenaar van die onroerende goederen wordt, deel uitmaakte van de vennootschap toen laatstgenoemde de goederen verkreeg.

In geval van verkrijging van maatschappelijke onroerende goederen door al de vennoten ten gevolge van een reële kapitaalvermindering van de vennootschap, of ten gevolge van een vereffening van de vennootschap die beantwoordt aan de hiertoe door het Wetboek van Vennootschappen gestelde vereisten, is, naargelang van het geval, de bij toepassing van het eerste of het tweede lid gevestigde registratiebelasting van toepassing op de latere toebedeling van de goederen aan een of meer vennoten.”

14. Op het ogenblik van de reële kapitaalvermindering van de vennootschap “A” betreft het een reële kapitaalvermindering van een bvba door uitbreng van een onroerend goed waardoor art. 2.9.1.0.4 VCF toepassing kan vinden.

Een reële kapitaalvermindering veronderstelt wel dat de verkrijging door de echtgenoten X-Y gebeurt zonder tegenprestatie, d.w.z. zonder dat de echtgenoten X-Y kort voor, ter gelegenheid van of kort na de uitbreng van het onroerend goed bijvoorbeeld een geldsom inbrengen in of betalen aan de vennootschap.

15. Het onroerend goed vermeld onder punt 4 wordt uitgebracht ten voordele van de echtgenoten X-Y, enige vennoten.

16. In principe is volgens artikel 2.9.1.0.4 VCF, eerste lid, het verkooprecht verschuldigd. De echtgenoten X-Y kwalificeren evenwel voor de uitzondering van het tweede lid, 1°. De bouwgrond, waarop de woning vermeld onder punt 4 werd gebouwd, werd door de echtgenoten X-Y ingebracht in “A” nv.

“A” nv werd omwille van andere redenen dat fiscale motieven, m.n. met het oog op overname door de zoon, omgezet in een bvba.

17. De uitbreng van het onroerend goed, vermeld onder punt 4, via kapitaalvermindering zal aldus belast worden volgens haar gemeenrechtelijke aard. Er zal geen Vlaamse Registratiebelasting worden geheven.

 

Deze beslissing heeft alleen betrekking op de registratiebelasting en doet geen uitspraak over andere belastingen.

 [top]

----------

  • publicatie op 11.12.2018