Belastbaarheid en waardering van aandelenopties

Standpunt nr. 16063 dd. 25.07.2016

Art. 2.7.3.2.1. VCF


 

Als de erflater houder was van een aandelenoptie (stock option plan), dan moet als volgt worden gehandeld:

Eerste hypothese: de optie wordt overgedragen door het overlijden

  • gaat het om beursgenoteerde effecten, dan moet de waarde van de optie onmiddellijk worden aangegeven volgens de beurswaarde ervan, volgens de regels die gelden voor alle beurswaarden. De uitgifteprijs is aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap, mits het nodige bewijs wordt geleverd van het feit dat deze uitgifteprijs nog verschuldigd is.
  • gaat het om niet-beursgenoteerde effecten, dan moet de waarde van de optie onmiddellijk worden aangegeven. De aan te geven waarde is de verkoopwaarde van de optie op datum van het overlijden. Deze moet door de aangevers worden geschat (als bewijs kan een verslag van een boekhouder, revisor, … worden bijgevoegd). De uitgifteprijs is aanvaardbaar in het passief van de nalatenschap, mits het nodige bewijs wordt geleverd van het feit dat deze uitgifteprijs nog verschuldigd is.

Op die manier is enkel het verschil in meer tussen de waarde van de optie en de nog verschuldigde uitgifteprijs belastbaar met erfbelasting.

Tweede hypothese: de optie is onoverdraagbaar

  • is de optie niet overdraagbaar, dan gaat ze teniet door het overlijden van de optiehouder en moet de optie niet worden aangegeven in de nalatenschap.

     

Dit standpunt sluit aan bij het federale standpunt zoals verwoord in RJ S 15/34-01 maar houdt een vereenvoudiging in van de administratieve last voor de aangevers-belastingplichtigen. Vermits de optie onmiddellijk wordt aangegeven in de initiële aangifte, wordt er van de aangevers niet meer gevraagd dat ze een nieuwe aangifte moeten indienen op het ogenblik dat de optie wordt gelicht.

 

-------------

  • publicatie op 12.09.2016