Toepassing art. 2.9.1.0.4, tweede en derde lid VCF n.a.v. de schrapping van het kapitaal begrip in het nieuw WVV

Standpunt nr. 19078 dd. 30.03.2020

Art. 2.9.1.0.4, tweede en derde lid VCF


 

1. Valt een uitkering van een onroerend goed die boekhoudkundig wordt aangerekend op de passiefrubriek van het eigen vermogen ‘beschikbare en/of onbeschikbare inbreng’ onder toepassing van de wachtregeling zoals voorzien in art. 2.9.1.0.4, 3e lid VCF?

Een uitkering in natura van een onroerend goed die boekhoudkundig wordt aangerekend op de passiefrubriek van het eigen vermogen ‘beschikbare en/of onbeschikbare inbreng’ valt onder toepassing van de wachtregeling zoals voorzien in art. 2.9.1.0.4, 3e lid VCF, mits voldaan is aan de voorwaarden van artikel 2.9.1.0.4, derde lid VCF, d.w.z. verkrijging door alle vennoten samen, naar verhouding van hun participatie in de vennootschap en zonder tegenprestatie.

 

2. Wat is de belasting volgens de gemeenrechtelijke aard in de mate dat de uitkering van het onroerend goed aangerekend wordt op de passiefrubriek van het eigen vermogen ‘beschikbare en/of onbeschikbare inbreng’ in de vennootschap in toepassing van art. 2.9.1.0.4, tweede lid VCF?

Wanneer een uitkering van een onroerend goed niet onder het toepassingsgebied van de wachtregeling in art. 2.9.1.0.4, derde lid VCF valt (bv. bij een toebedeling aan de enige vennoot of in geval van een asymmetrische toebedeling), is art. 2.9.1.0.4, tweede lid VCF onmiddellijk van toepassing indien voldaan aan de voorwaarden en moet er gekeken worden naar de gemeenrechtelijke aard van de uitkering van het onroerend goed, aangerekend op de passiefrubriek van het eigen vermogen ‘beschikbare en/of onbeschikbare inbreng’.

Een uitkering in natura van een onroerend goed die boekhoudkundig wordt aangerekend op de passiefrubriek van het eigen vermogen ‘beschikbare en/of onbeschikbare inbreng’. kan worden gelijkgesteld met wat vroeger een kapitaalvermindering in natura was, zodat in toepassing van de uitzonderingen voorzien in art. 2.9.1.0.4, tweede lid VCF geen registratiebelasting verschuldigd is omdat de uitbreng geen volkomen conventionele grondslag heeft De uitkering gebeurt m.a.w. ingevolge een rechtsfeit, dat niet specifiek getarifeerd is en slechts onderworpen wordt aan het federaal algemeen vast recht.

Uiteraard geldt voor het voorgaande ook nu nog dat de uitkering niet de aard mag hebben van een inbetalinggeving waarbij de gemeenrechtelijk aard van de verrichting een overdracht ten bezwarende titel is, die wel onder toepassing van het verkooprecht valt.

 

3. Wat is de belasting volgens de gemeenrechtelijke aard in de mate dat de uitkering van het onroerend goed boekhoudkundig ook minstens gedeeltelijk zal aangerekend worden op de passiefrubriek van het eigen vermogen ‘beschikbare reserves’ van de vennootschap in toepassing van art. 2.9.1.0.4, tweede lid VCF?

Wanneer een uitkering van een onroerend goed niet onder het toepassingsgebied van de wachtregeling in art. 2.9.1.0.4, derde lid VCF valt (bv. bij een toebedeling aan de enige vennoot of in geval van een asymmetrische toebedeling), is art. 2.9.1.0.4, tweede lid VCF onmiddellijk van toepassing indien voldaan aan de voorwaarden en moet er gekeken worden naar de gemeenrechtelijke aard van de uitkering van het onroerend goed, (al dan niet gedeeltelijk) aangerekend op de passiefrubriek van het eigenvermogen ‘beschikbare reserves’.

Een uitkering van een onroerend goed dat boekhoudkundig wordt aangerekend op de passiefrubriek van het eigenvermogen ‘beschikbare reserves’ wordt gelijk gesteld met een dividenduitkering in natura. Een dividenduitkering in natura is een overdracht ten bezwarende titel, zodat steeds het verkooprecht zal verschuldigd zijn in toepassing van art. 2.9.1.0.4, tweede lid VCF, tenzij er een onverdeeldheid is, dan zal het verdeelrecht verschuldigd zijn.

 

------------

  • gewijzigd op 30.03.2020, publicatie op 15.04.2020
  • oorspronkelijk standpunt van 09.12.2019, publicatie op 06.01.2020