Toekenning van schuldvorderingen in een erfovereenkomst

Standpunt nr. 19006 dd. 18.03.2019

Art. 2.8.3.0.1., §3 en 2.7.1.0.3, 3° VCF


 

De vraag werd gesteld wat de fiscale behandeling is van de toekenning van een schuldvordering in een erfovereenkomst, meer bepaald het geval waar de ouder(s) aan  één of meer kinderen, die reeds een schenking of een ander voordeel hebben gekregen, de last oplegt/opleggen een geldsom te betalen aan één of meer andere kinderen die tot dan toe minder werden bevoordeeld.

Vlabel heeft de vraag als volgt beantwoord.

De toekenning van een schuldvordering zoals bedoeld in artikel 1100/7, §1, derde lid BW moet beschouwd worden als een onrechtstreekse schenking door de ouder(s) aan het kind dat de schuldvordering verkrijgt.

Bijgevolg is er op de waarde van de schuldvordering schenk- of erfbelasting verschuldigd in de rechte lijn, volgens het hierna aangeduide onderscheid.

Wordt de betaling van de schuldvordering opgelegd aan een kind dat eerder een met schenkbelasting belaste schenking heeft verkregen, dan is de toekenning van de schuldvordering een last die onder de toepassing valt van artikel 2.8.3.0.1, §3 VCF.

De last zal in mindering worden gebracht van het bedrag van de hoofdschenking nadat de last op zijn beurt is belast in hoofde van de begunstigde van de schuldvordering. Door de heffing op de secundaire schenking ontstaat een recht op teruggave voor de hoofdbegiftigde.

Wordt de schuldvordering betaalbaar gesteld bij het overlijden van de toekomstige erflater en wordt de schuldvordering niet opgelegd als last van een gedane onroerende schenking, dan is de toekenning van de schuldvordering een legaat in de zin van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF, zodat ze onder de toepassing valt van de erfbelasting.

In de andere gevallen valt de schuldvordering onder de toepassing van de schenkbelasting.

 

--------------

  • publicatie op 25.03.2019