Herziening van een heffing in de schenkbelasting ten gevolge van een heffing in de erfbelasting

Standpunt nr. 16119 dd. 07.09.2020

Art. 2.7.1.0.3, 3°, 2.7.1.0.6 en 2.8.3.0.1, §3 VCF


 

Artikel 2.8.3.0.1, §3 bepaalt dat een secundaire schenking van een som, rente of pensioen mag worden afgetrokken van de belastbare grondslag van de hoofdbegiftigde.

Deze aftrek mag echter pas gebeuren als de secundaire schenking actueel is. In het geval van een schenking onder niet vervulde opschortende voorwaarde, gebeurt de heffing lastens de hoofdbegiftigde dus in een eerste fase zonder aftrek.

Als de secundaire schenking actueel wordt – en de secundaire schenking dus zelf wordt belast – moet ook de heffing op de hoofdschenking worden herzien.

Dergelijke secundaire schenking is vaak belastbaar met erfbelasting en niet met de schenkbelasting (bij toepassing van artt. 2.7.1.0.3, 3° of 2.7.1.0.6).

 

Voorbeeld

S schenkt een effectenportefeuille ter waarde van € 200.000 aan zijn neef A, op last voor A bij het vooroverlijden van S een geldsom van € 100.000 te geven aan zijn andere neef B.

Heffing schenkbelasting:             A             200.000 x 7% = 14.000

Bij overlijden van S, en gesteld dat B nog in leven is, kunnen zich twee hypotheses voordoen:

  • B heeft de secundaire schenking aanvaard uiterlijk vóór het overlijden van S -> de schenking valt onder de toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3°
  • B heeft de secundaire schenking niet aanvaard uiterlijk voor het overlijden van S -> de verkrijging valt onder de toepassing van art. 2.7.1.0.6

In beide gevallen zal erfbelasting worden geheven in hoofde van B, tegen het tarief “anderen”. De schenkbelasting in hoofde van A moet worden herzien:

A             100.000 x 7% = 7.000, dus ontheffing 7.000

 

De door B verschuldigde erfbelasting dient door B (de secundaire begiftigde) eerst volledig te worden voldaan. Hierna kan A een verzoek tot ontheffing indienen voor de te veel betaalde schenkbelasting.

 

---------

  • Correctie  van het voorbeeld op 07.09.2020, publicatie op 28.09.2020
  • Oorspronkelijk standpunt van 05.12.2016, publicatie op 03.01.2017