Bedingen van aanwas en van terugvalling

Standpunt nr. 16092 dd. 28.09.2020

Art. 2.7.1.0.6. VCF


 

De vraag is gesteld welke houding Vlabel aanneemt op het vlak van de heffing van verkooprecht, schenkbelasting of erfbelasting op de realisatie van bedingen van aanwas en terugvalling die gekoppeld zijn aan een overeenkomst onder de levenden.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen bedingen die worden overeengekomen tussen personen die een goed verkrijgen of hebben verkregen en bedingen die worden overeengekomen in het voordeel van personen die een goed vervreemden en zich daarbij een recht voorbehouden.

1. Bedingen van aanwas bij of na de verkrijging van goederen

Bij aanvang is er een actuele verkrijging door twee (of meer) verkrijgers en zitten er in het beding van aanwas twee voorwaardelijke verkrijgingen besloten waarvan één actueel zal worden als de eerststervende van de verkrijgers komt te overlijden.

Indien de eerste van beide verkrijgers komt te overlijden, is er een overdracht aan de langstlevende van de verkrijgers, die, afhankelijk van het geval betrekking heeft op:

  • de helft volle eigendom;
  • de helft vruchtgebruik.

Vermits deze overdracht overeengekomen is onder de levenden, valt deze binnen het toepassingsgebied van de registratiebelasting. Of er uiteindelijk registratiebelasting verschuldigd is en zo ja, welke, hangt af van verschillende factoren:

- gaat het om een aanwas onder kosteloze dan wel onder bezwarende titel ?

-> tenzij het tegendeel uit de overeenkomst blijkt:

  • wordt een beding van aanwas tussen echtgenoten geacht onder kosteloze titel te zijn overeengekomen
  • wordt een beding van aanwas tussen niet-gehuwden geacht onder bezwarende titel te zijn overeengekomen

- gaat het om roerende dan wel onroerende goederen ?

  • de schenkbelasting is zowel verschuldigd voor roerende goederen als onroerende goederen
  • het verkooprecht is enkel verschuldigd voor onroerende goederen

- is de aanwas bedongen tussen de verkrijgers dan wel tussen de vervreemder en de langstlevende van de verkrijgers ?

-> tenzij het tegendeel uit de overeenkomst blijkt:

  • wordt een beding van aanwas gekoppeld aan een verkoop geacht tussen de kopers te zijn bedongen (anders is het een tontine)
  • wordt een beding van aanwas gekoppeld aan een schenking geacht door de schenker te zijn bedongen.

 

2. Bedingen van aanwas of terugvalling m.b.t. tot een recht of prestatie voorbehouden of bedongen bij de vervreemding van goederen

a. Bedingen van aanwas

Indien twee vervreemders een goed vervreemden en zich bv. een vruchtgebruik voorbehouden of een rente bedingen, wordt elk van de vervreemders geacht voor zichzelf te hebben bedongen.

Indien het beding van aanwas zich realiseert is er geen belastbare overdracht voor de registratiebelasting.

Deze overdracht valt eveneens buiten het toepassingsgebied van de erfbelasting, met één uitzondering: als de bedongen prestatie een rente is en de vervreemders zijn echtgenoten gehuwd onder een stelsel van gemeenschap, valt de aanwas van de rente onder de toepassing van art. 2.7.1.0.6 VCF.

b. Bedingen van terugvalling

Als één persoon een goed vervreemdt en zich bv. een vruchtgebruik voorbehoudt of een rente bedingt, en bovendien bedingt dat dit vruchtgebruik of deze rente bij zijn overlijden zal terugvallen op het hoofd van een derde, wordt het beding van terugvalling beschouwd als een schenking, door de vervreemder aan de begunstigde derde. Deze schenking wordt actueel door het overlijden van de vervreemder en het overleven van de begunstigde derde.

Deze schenking valt in principe binnen het toepassingsgebied van de registratiebelasting (want overeengekomen onder de levenden).

Of er uiteindelijk schenkbelasting kan worden geheven hangt af van verschillende factoren:

  • er moet een heffingstitel zijn voor de schenkbelasting (hetgeen veronderstelt dat de begunstigde het beding heeft aanvaard in een ter registratie aangeboden akte);
  • de schenking mag niet onder de toepassing vallen van artikel 2.7.1.0.3, 3° VCF (schenking van roerende goederen die actueel wordt door het overlijden van de schenker, met uitzondering van een terugval van een door de schenker voorbehouden vruchtgebruik), in welk geval er erfbelasting verschuldigd is.

Verder wordt er gewezen op de mogelijke toepassing van artikel 2.7.1.0.6 VCF indien de terugvalling betrekking heeft op een rente en de terugvalling niet aan de schenkbelasting onderworpen is (bv. omdat het beding niet door de begunstigde is aanvaard).

Artikel 2.7.1.0.6 VCF is eveneens van toepassing indien echtgenoten, gehuwd onder een stelsel van gemeenschap, een rente hebben bedongen, als tegenprestatie van een verkoop of als last van een schenking van een gemeenschappelijk goed.

Op grond van artikel 2.7.1.0.6, §1, derde lid VCF, is, bij het overlijden van de eerststervende echtgenoot, de helft van de persoonlijke rente van de langstlevende echtgenoot belastbaar. Is er een beding van aanwas bedongen, dan is zowel de helft van de persoonlijke rente van de langstlevende echtgenoot als de helft van de rente die aanwast bij de langstlevende belastbaar.

Deze visie ligt volledig in de lijn van de federale visie.

 

----------

  • aanpassing op 28.09.2020, publicatie op 14.10.2020
  • oorspronkelijk standpunt van 14.11.2016, publicatie op 03.01.2017