Problematiek van opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker (artikel 2.7.1.0.3, 3° en techniek art. 2.8.7.0.2 §2 en toepassing er van bij schenking van familiale bedrijfsactiva).

Standpunt nr. 15074 dd. 26.05.2015

Art. 2.7.1.0.3., 3°; 2.8.4.1.1.; 2.8.6.0.3.; 2.8.7.0.2. VCF


 

1. De vroegere art. 4,3° W. Succ. en 131, §2, 2de lid W. Reg. versus de huidige artt. 2.7.1.0.3, 3° en 2.8.4.1.1, §2, 2de lid VCF

Onder de gelding van het W. Reg. En het W.Succ. werden enkel schenkingen van roerende goederen gedaan onder de opschortende voorwaarde van het overlijden van de schenker door de genoemde artikelen geviseerd.

Als een dergelijke schenkingsakte ter registratie werd aangeboden, werd geen schenkingsrecht geheven maar werd, bij het overlijden van de schenker, successierecht geheven.

Ging het echter om een schenking van roerende goederen gedaan onder de opschortende termijn van het overlijden van de schenker, dan werd het schenkingsrecht onmiddellijk geheven want:

  • deze schenkingen werden  niet geviseerd door genoemde artikelen;
  • het bestaan van een opschortende termijn staat de onmiddellijke heffing van het registratierecht niet in de weg.

Onder de gelding van de VCF worden door de genoemde artikelen schenkingen van roerende goederen gedaan onder de opschortende voorwaarde of termijn van de schenker geviseerd.

Dit betekent dat, vanaf 01/01/2015, dergelijke schenkingen niet meer onder de toepassing van de schenkbelasting vallen maar onder de toepassing van het successierecht.

Voor schenkingen van roerende goederen gedaan onder de opschortende termijn van het overlijden van de schenker die vóór 01/01/2015 ter registratie werden aangeboden en waarbij de schenker na 01/01/2015 komt te overlijden stelt zich een probleem van dubbele heffing:

  • federaal is het schenkingsrecht geheven;
  • thans moet bij overlijden van de schenker het successierecht worden geheven bij toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF.

Ten einde een dubbele belasting te vermijden worden ingeval van een schenking onder opschortende termijn van overlijden van de schenker, waarbij het registratierecht voor schenkingen werd geheven bij de registratie van de schenkingsakte, de reeds geheven schenkingsrechten afgetrokken van de erfbelasting die verschuldigd is bij toepassing van art. 2.7.1.0.3, 3° VCF. (zie ook RJ S 4, 3°-VL/01-01)

 

2. Artt. 2.7.1.0.3, 3° en 2.8.4.1.1, §2, 2de lid VCF in combinatie met artt. 2.8.6.0.3 VCF

Indien het gaat om roerende FBA die geschonken worden onder de opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker, stelt art. 2.8.4.1.1, §2, 2de lid dat niet de schenkbelasting maar het successierecht verschuldigd is. In het successierecht geldt geen vrijstelling maar een verlaagd tarief voor de vererving van FBA.

De vraag is dan : wanneer moet aan de voorwaarden tot verkrijging van het gunstregime voldaan zijn? Op datum van het overlijden of op datum van de schenking?

Voor alle schenkingen gedaan onder opschortende voorwaarde gelden de volgende principes:

- als de schenkbelasting verschuldigd is, zal het tarief gelden van de dag van de akte en moeten de voorwaarden op het ogenblik van de vervulling van de opschortende voorwaarde of termijn vervuld zijn.

- als de erfbelasting verschuldigd is omwille van een opschortende voorwaarde of termijn die vervuld wordt ingevolge het overlijden van de schenker (artikel 2.7.1.0.3, 3°) moeten de voorwaarden worden beoordeeld op de datum van het overlijden (vervulling van de voorwaarde).

 

--------------

  • publicatie op 28.01.2016