Levensverzekeringscontracten afgesloten door de langstlevende echtgenoot

Standpunt nr. 15020 dd. 02.02.2015

Art. 2.7.1.0.6. VCF


 

De heer X en mevrouw Y zijn gehuwd onder een gemeenschapsstelsel. Tijdens het huwelijk onderschrijft de heer X als verzekeringsnemer een aantal levensverzekeringen. Er worden premies betaald met gemeenschapsgeld. De heer X is de verzekerde en mevrouw Y is de enige begunstigde. Bij vóóroverlijden van mevrouw Y is er geen uitbetaling van deze levensverzekeringen.

De ruling nr. 8000.279 wordt niet gevolgd.

Ook indien er geen uitbetaling van de levensverzekering is, is deze levensverzekering perfect belastbaar volgens art. 2.7.1.0.6., § 1, 3e lid. VCF.

“ … Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste en het tweede lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een contract dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.”

De wijze waarop deze worden belast kan men terugvinden in art. 2.7.3.2.8. VCF.

“ Als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, die aan de echtgenoot als legaat toevallen voor het volledige bedrag ervan, als legaat belast als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor de eigen goederen van de erflater. Ze worden slechts voor de helft belast in alle andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd als er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot. De omstandigheid dat het beding wederkerig is, ontneemt de aard van bevoordeling niet daaraan.

De verkrijging wordt vermoed kosteloos te zijn ontvangen, behoudens tegenbewijs.”

 

Opmerking

Contracten afgesloten door de langstlevende echtgenoot, gehuwd onder een stelsel van gemeenschap van goederen, waarvoor geen uitkering gebeurt op datum overlijden, zijn door een herformulering van ex-artikel 8 W. Succ. in artikel 2.7.1.0.6 VCF 2de en 3de lid perfect belastbaar zonder de omweg van herkwalificatie als geldbelegging waartoe de FOD zijn toevlucht diende te nemen.

Ook de sommen, renten of waarden die kosteloos aan een persoon kunnen toekomen, hetzij binnen drie jaar vóór het overlijden van de erflater, hetzij na het overlijden van de erflater, ingevolge een contract dat een door de erflater in het voordeel van die persoon gemaakt beding bevat, worden geacht als legaat te zijn verkregen door die persoon.

Wanneer een overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap, gelden de bepalingen van het eerste en het tweede lid ook voor de sommen, renten of waarden die kosteloos aan de langstlevende echtgenoot toekomen ingevolge een contract dat door die langstlevende echtgenoot is gesloten.

Dus ook wanneer de uitkering van een contract zal gebeuren op een datum ergens nà het overlijden is het voordeel van het contract dat de langstlevende echtgenoot, gehuwd onder een stelsel van gemeenschap van goederen, voor zichzelf heeft bedongen belastbaar in hoofde van die echtgenoot bij het overlijden van de eerststervende. Dit betekent dat de vermogenswaarde van een dergelijk contract niet langer belast wordt als onderdeel van het gemeenschappelijk vermogen, maar als legaat in hoofde van de echtgenoot-bedinger.

Enkel de wijze waarop de premies werden gefinancierd is nog relevant (zie artikel 2.7.3.2.8 VCF)

Als de erflater gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden de sommen, renten of waarden, vermeld in artikel 2.7.1.0.6, die aan de echtgenoot als legaat toevallen voor het volledige bedrag ervan, als legaat belast als ze zijn verkregen als tegenwaarde voor de eigen goederen van de erflater. Ze worden slechts voor de helft belast in alle andere gevallen. Het recht is niet verschuldigd als er bewezen wordt dat de sommen, renten of waarden verkregen zijn als tegenwaarde voor eigen goederen van de echtgenoot.

 

Opmerking:

Standpunt geldig voor overlijdens van 01/01/2015 tot en met 31/12/2016.

 

------------

  • laatste opmerking toegevoegd op 06.02.2017, publicatie op 23.02.2017
  • oorspronkelijk standpunt van 02.02.2015, publicatie op 03.03.2015