Belasting

Registratiebelasting

Artikel

Art. 3.5.2.0.1 VCF en art. 1385undecies, lid 1, Ger. W.

Voorwerp betwisting

Laattijdig bezwaarschrift

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2020/AR/1120

Datum uitspraak

8 juni 2021

Status

Definitief

 

Laattijdig bezwaarschrift - loutere bewering aanslagbiljet niet te hebben ontvangen wordt niet aanvaard door het Hof van Beroep

Samenvatting

Omdat dhr. O niet tijdig had voldaan aan de voorwaarde tot behoud van de meeneembaarheid via verrekening (geen vestiging hoofdverblijfplaats binnen de 2 jaar op het nieuw aangekochte onroerend goed) stuurde de FOD Financiën op 6 juni 2013 een brief met aanmaning tot betaling van de aanvullende rechten en een administratieve boete. Op 19 juli 2013 reageerde dhr. O op dit schrijven met een uiteenzetting van omstandigheden die een tijdige bewoning zouden hebben bemoeilijkt. Per mail werd door de FOD Financiën bijkomende stukken opgevraagd, waarop dhr. O aangaf deze te kunnen overmaken op 25 oktober 2013. Hierna kwam er geen reactie meer van dhr. O. Aangezien de FOD Financiën geen stukken meer had verkregen, werd er nog op 10 november 2014 een aangetekende herinnering tot betaling verstuurd. Op 27 januari 2016 werd door de Vlaamse Belastingdienst de betwiste aanslag gevestigd en op 4 maart 2016 werd het aanslagbiljet verstuurd naar het laatst gekende adres van dhr. O.

Aangezien een reactie uitbleef, verstuurde Vlabel op 15 juli 2016 en 14 oktober 2016 twee herinneringen met aanmaning tot betaling naar hetzelfde adres. Dhr. O verklaart dat hij voor het eerst bij brief van 15 maart 2018 kennis kreeg van het bestaan van de aanslag. Op diezelfde dag werd voor de openstaande belastingschuld op het pensioen derdenbeslag gelegd bij de Rijksdienst voor Pensioenen. Op 30 maart 2018 ontving Vlabel een bezwaarschrift met betrekking tot de aanslag. Bij beslissing van 14 mei 2018 werd het bezwaar afgewezen als onontvankelijk omdat het bezwaarschrift laattijdig werd ingediend. Dhr. O beweert het aanslagbiljet en de herinneringsbrieven nooit te hebben ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat dhr. O sedert de eerste correspondentie in dit dossier nooit is verhuisd. Hij woont sedert 16 oktober 2006 ononderbroken op hetzelfde adres. Opmerkelijk is dat hij wel de brief van 6 juni 2013 van de FOD Financiën op hetzelfde adres heeft ontvangen. Er zijn geen redenen om aan te nemen dat dhr. O het aanslagbiljet (en evenmin de herinneringsbrieven) niet heeft ontvangen. Alle brieven werden naar het juiste adres verstuurd. Het hof kan enkel de eerste rechter volgen in de analyse dat het voor de belastingplichtige niet volstaat louter te beweren dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen. Dit houdt niet in dat de administratie het bewijs moet leveren dat de verzending ook effectief gebeurd is. De op het aanslagbiljet vermelde ‘datum van verzending’ wordt vermoed juist te zijn (o.a. Cass. 16 november 2017, F.15.0034.N, juportal.be). De rechtspraak die betrekking had op art. 371 WIB92 geldt ook voor art. 3.5.2.0.1 VCF dat gebaseerd is op art. 371 WIB92. Er mag worden aangenomen dat het aanslagbiljet werd verstuurd op 4 maart 2016.

Volgens art. 1385undecies, lid 1, Ger. W. mag een fiscale vordering pas worden ingesteld indien de verzoeker “voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerd beroep heeft ingesteld.” Op basis van art. 3.5.2.0.1 VCF moeten bezwaarschriften op straffe van nietigheid worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden na de derde werkdag die volgt op de verzendingsdatum, vermeld op het aanslagbiljet. Door de laattijdige indiening van het bezwaarschrift werd de voorafgaande administratieve procedure niet regelmatig ingesteld en dient deze fiscale vordering op grond van art. 1385undecies Ger. W. onontvankelijk te worden verklaard.