Belasting

Planbatenheffing

Artikel

Artikel 2.2.5, §1; 2.6.4; en 2.6.16, §1 en §4 VCRO

Voorwerp betwisting

Raad van State bevestigt de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg inzake geschillen planbatenheffing - geen betwisting van planbatenheffing via aanvechten BVR tot vaststelling RUP

Rechtbank of Hof

Raad van State

Plaats

 

Rolnummer

248.299

Datum uitspraak

18 september 2020

Status

Definitief

 

Raad van State bevestigt de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg inzake geschillen planbatenheffing - geen betwisting van planbatenheffing via aanvechten BVR tot vaststelling RUP

 

Samenvatting

Bij de opmaak van een Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) wordt conform artikel 2.2.5, §1 , 9° VCRO een register voorzien van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planbatenheffing of een planschadevergoeding.

In deze zaak werd door tegenpartij (een ontwikkelaar van bedrijventerreinen die houder is van een aantal aankoopopties op percelen gelegen binnen het RUP) een beroep tot nietigverklaring ingediend bij de Raad van State tegen het besluit van de Vlaamse Regering waarmee het RUP in kwestie en dus ook het register definitief worden vastgesteld.

Tegenpartij is van oordeel dat dit register de enige grondslag is op basis waarvan de Vlaamse Belastingdienst de planbatenheffing inkohiert en het bedrag van de heffing bepaalt. Een opname van een perceel in het register heeft immers tot gevolg dat het voor de planbatenheffing in aanmerking komt, was het niet opgenomen in het register dan kan het niet voor planbatenheffing in aanmerking komen. Verder meent ze ook dat het register integraal deel uitmaakt van het RUP en dat de Raad van State daarom de wettigheid van het register moet kunnen beoordelen.

De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring van tegenpartij daar het beroep niet tegen een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is gericht.

De Raad van State stelt hiertoe eerst vast dat het register op grond van artikel 2.2.5, §1, in fine VCRO geen verordenende kracht heeft. Ze verwijst hierbij naar de parlementaire voorbereidingen bij de bepaling over het register van de percelen waarop een bestemmingswijziging wordt doorgevoerd die aanleiding kan geven tot een planbatenheffing of planschadevergoeding:

“Deze regeling is puur planologisch van aard: zij betreft enkel de aanwijzing van percelen waarop een bestemmingswijziging of een overdruk wordt aangebracht die in beginsel kan leiden tot een planbatenheffing of één van de genoemde vergoedingen. Bij de planopmaak moet geen onderzoek worden verricht naar de eigendomsstructuur betreffende deze percelen, naar de aanwezigheid van mogelijke vrijstellingen van planbatenheffing, naar het voorhanden zijn van uitzonderingsgronden inzake de genoemde vergoedingen, etc. Zulks zou het planproces uitermate vertragen en bezwaren.” (Parl.St. Vl.P. 2008-2009, stuk 2011, nr. 1, p. 40, randnr. 125)

De opname in het register maakt volgens de Raad van State dan ook geen noodzakelijke voorwaarde uit opdat een planbatenheffing verschuldigd zou zijn. De opname in het register is als dusdanig zonder eigen rechtsgevolg. Een planbatenheffing is luidens artikel 2.6.4 VCRO “verschuldigd wanneer een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan of bijzonder plan van aanleg op een perceel één of meer [...] bestemmingswijzigingen doorvoert” die in voormelde bepaling zijn opgesomd, en is betaalbaar binnen de termijn aangegeven in artikel 2.6.14, §1, VCRO.

De Raad van State bevestigt ook dat een heffingsplichtige luidens artikel 2.6.16, §1 VCRO gemotiveerd bezwaar kan indienen bij de Vlaamse Belastingdienst tegen een aanslag en het is de rechtbank van eerste aanleg die overeenkomstig artikel 2.6.16, §4 VCRO bevoegd is om geschillen inzake planbatenheffing te beslechten.