Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 3.18.0.0.7 en art. 3.18.0.0.16. VCF

Voorwerp betwisting

Rechtbank mildert belastingverhoging roerend verzuim van 20% tot 10% - criterium fout vs. criterium evenredigheid art. 3.18.0.0.16 VCF

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/2743/A

Datum uitspraak

11 februari 2020

Status

Definitief

 

Rechtbank mildert belastingverhoging roerend verzuim van 20% tot 10% - criterium fout vs. criterium evenredigheid art. 3.18.0.0.16 VCF

 

1. Samenvatting

De belastingplichtige is de weduwe en enige erfgenaam van de erflater X. Zij verwierf de nalatenschap van X voor de geheelheid in volle eigendom.

Op 24 maart 2015 diende de belastingplichtige een aangifte van nalatenschap in. Op 29 september 2015 werd lastens belastingplichtige conform de aangifte een aanslag in de erfbelasting van aanslagjaar 2014 gevestigd voor 171.098,88 EUR.

Bij kennisgeving van 10 maart 2017 meldde de Vlaamse Belastingdienst aan belastingplichtige over informatie te beschikken waaruit bleek dat het gemeenschappelijk vermogen op datum van overlijden van wijlen X nog eigenaar was van een aantal (niet aangegeven) banktegoeden. Een ambtshalve aanslag van 49.274,79 EUR aan bijkomend verschuldigde erfbelasting werd vooropgesteld. Tevens werd aangekondigd, met verwijzing naar artikel 3.18.0.0.7 VCF, dat een belastingverhoging van 20%, zijnde 9.854,96 EUR, opgelegd zou worden.

De aanslag werd conform deze kennisgeving gevestigd op 24 april 2017.

De belastingplichtige tekende bezwaar aan tegen deze aanslag. Zij gaf aan bij de aangifte verkeerdelijk van mening te zijn geweest dat de bankrekeningen die uitsluitend op haar naam stonden, eigen gelden waren die niet onderhevig waren aan aangifte, maar zich niet te verzetten tegen de bijkomende aanslag in hoofdsom. Zij verwees naar haar goede trouw en de concrete omstandigheden van het overlijden van haar echtgenoot en vroeg om kwijtschelding van de belastingverhoging.

Bij beslissing van 18 mei 2018 wees de Vlaamse Belastingdienst het bezwaar van eiseres af.

Belastingplichtige ent haar vordering in hoofdorde tot kwijtschelding van de belastingverhoging uitdrukkelijk op artikel 9 van het regentsbesluit van 18 maart 1831 en op artikel 3.18.0.0.16 VCF.

Ondergeschikt vordert zij de mildering van de belastingverhoging wegens de afwezigheid van een redelijke verhouding tussen de gepleegde inbreuk enerzijds en de ernst van de feiten anderzijds.

Waar belastingplichtige voor haar vordering steunt op artikel 9 van het regentsbesluit van 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, kan zij niet gevolgd worden stelt de rechtbank. lmmers, deze bepaling werd met ingang van 1 januari 2015 opgeheven door artikel 5.0.0.0.1, 6° VCF voor wat betreft de administratieve geldboetes of de belastingverhogingen opgelegd in toepassing van titel 3, hoofdstuk 18 van de VCF. De aan belastingplichtige opgelegde belastingverhoging dateert van 24 april 2017.

Krachtens artikel 3.18.0.0.7 betaalt de erfgenaam, legataris of begiftigde die niet alle goederen heeft aangegeven in een wetsconforme aangifte, een belastingverhoging die gelijk is aan 20% van de daardoor verschuldigde aanvullende rechten. Deze belastingverhoging wordt enkel verminderd tot 10% als uit eigen beweging, en binnen tien maanden na hetzij het overlijden, hetzij de start van de aangiftetermijn, een goed dat niet was opgenomen in de aangifte, alsnog aangegeven wordt door de erfgenaam, legataris of begiftigde.

Overeenkomstig artikel 3.18.0.0.16 VCF kan de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboetes of van de belastingverhogingen verlenen als de betrokken partij bewijst niet in fout te zijn.

Ter zake bestaat er tussen partijen geen betwisting over het feit dat er in hoofde van belastingplichtige sprake is van een verzuim in de aangifte van de nalatenschap van wijlen X met betrekking tot de in de kennisgeving van 10 maart 2017 vermelde bankrekeningen. Belastingplichtige stelt evenwel dat dit verzuim niet te wijten is aan een fout in haren hoofde in de zin van artikel 3.18.0.0.16 VCF.

Hoewel de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst beslist over een verzoek tot kwijtschelding van een fiscale geldboete of belastingverhoging, kent artikel 3.18.0.0.16 VCF aan deze ambtenaar geen discretionaire of uitsluitende bevoegdheid toe. De rechtbank acht zich bijgevolg bevoegd om, met volle rechtsmacht, de fout te beoordelen en te beoordelen of partijen al dan niet bewijzen dat zij niet in fout zijn.

Krachtens artikel 3.18.0.0.16 VCF kan een administratieve geldboete opgelegd wegens laattijdige aangifte worden kwijtgescholden als de betrokken partij bewijst niet in fout te zijn. Wanneer vaststaat dat de belastingplichtige alles in het werk heeft gesteld en al het mogelijke heeft gedaan om een verzuim in zijn aangifte te vermijden en dat dergelijk verzuim te wijten is aan overmacht of onoverkomelijke onwetendheid, dient hij vrijgesteld te worden van de boete. Gelet op deze criteria is het onvoldoende dat de belastingplichtige bewijst dat hij te goeder trouw is. Nalatigheid of gebrek aan informatie die men met enige moeite had kunnen vinden, zijn niet verschoonbaar waar het de toepassing van artikel 3.18.0.0.16 VCF betreft.

De rechtbank is van oordeel dat belastingplichtige niet genoegzaam aantoont dat het verzuim niet het gevolg is van een fout in haren hoofde. Belastingplichtige wijt het verzuim aan haar onwetendheid ter zake en aan het feit dat zij in de betrokken periode op een paar maanden tijd ieder materieel, fysiek, geestelijk en emotioneel houvast verloren was en ontredderd achterbleef, ingevolge achtereenvolgens het plotse overlijden van haar zoon in de zomer van 2013, een woningbrand in september 2013 en het plots ernstig ziek worden van haar echtgenoot in september 2013 die uiteindelijk na een slepende ziekte overleed in november 2014.

Waar belastingplichtige de betrokken periode ongetwijfeld terecht omschrijft als een annus horribilis, kan dit gegeven geen afbreuk doen aan de vaststelling dat zij niet deugdelijk bewijst dat haar geen verzuim verweten kan worden of dat zij al het mogelijke gedaan heeft om enig verzuim te vermijden. Mocht zij zich correct hebben laten informeren en bijstaan, dan zou zij geweten hebben dat ook banktegoeden op haar eigen naam tot de huwgemeenschap behoorden, gelet op het wettelijk stelsel waaronder zij en wijlen X gehuwd waren. Dit is een basisbeginsel van het huwelijksvermogensrecht. Belastingplichtige toont niet aan dat zij in de onmogelijkheid was om een correcte aangifte in te dienen, zodat zij ook de afwezigheid van enige fout of verschoonbare nalatigheid in haren hoofde niet aantoont.

De bevoegde ambtenaar weigerde volgens de rechtbank terecht de kwijtschelding van de administratieve geldboete die aan belastingplichtige werd opgelegd bij toepassing van 3.18.0.0.7 VCF.

Een door de belastingadministratie opgelegde belastingverhoging kan een repressief karakter hebben en als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR worden aangemerkt.

Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 IVBPR, moet nagegaan worden of ze:

  • zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft,
  • een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt,
  • niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen,
  • stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is en
  • zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen (vgl. Cass. 25 mei 1999, Arr.Cass., 1999, 307).

Ter zake is de opgelegde belastingverhoging van 9.854,96 EUR, gelet op voormelde criteria, naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een strafsanctie in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechter aan wie in het kader van het fiscaal verhaal gevraagd wordt een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6 EVRM te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vgl. Cass. 21 september 2018, F.17.0141.N).

Ter zake stelt de rechtbank vast dat de misslag van belastingplichtige eenmalig was, dat belastingplichtige de aangekondigde supplementaire aanslag inzake de verschuldigde rechten in hoofdsom niet betwistte maar haar fout toegaf en kon duiden, en dat zij de bijkomend verschuldigde hoofdsom onmiddellijk betaalde. Tevens blijkt uit geen enkel stuk van het dossier dat zij, zoals zij zelf stelt, niet te goeder trouw was.

In deze omstandigheden kan aangenomen worden dat het verzuim in aangifte, zoals belastingplichtige aangeeft, het gevolg was van een loutere vergissing en onwetendheid, begaan door een belastingplichtige die voor het overige haar verplichtingen steeds is nagekomen.

De rechtbank besluit dat in deze omstandigheden het opleggen van een belastingverhoging van 20% niet evenredig is met het verzuim van belastingplichtige. Er is reden om de opgelegde belastingverhoging te herleiden tot 10%. Een dergelijke belastingverhoging staat in correcte verhouding tot de ernst van de door belastingplichtige begane inbreuk, is niet louter symbolisch te noemen en moet geacht worden te volstaan om belastingplichtige te wijzen op haar fout en haar aan te zetten tot meer nauwgezetheid en wetsconform gedrag. De rechtbank ziet, gelet op de begane inbreuk, geen gegronde redenen om de belastingverhoging nog verder te milderen.

De vordering van belastingplichtige is derhalve gegrond in de mate dat middels de bestreden aanslag een belastingverhoging werd opgelegd die 10% overschrijdt.

 

2. Commentaar

In dit vonnis wordt het verschil geduid tussen art. 3.18.0.0.16. VCF (criterium fout-te beslissen door VLABEL (met controle door rechter) vs. criterium van evenredigheid- enkel te beoordelen door de rechter).

Hoewel de leidend ambtenaar van de Vlaamse Belastingdienst beslist over een verzoek tot kwijtschelding van een fiscale geldboete of belastingverhoging, kent artikel 3.18.0.0.16 VCF aan deze ambtenaar geen discretionaire of uitsluitende bevoegdheid toe. De rechtbank acht zich bijgevolg bevoegd om, met volle rechtsmacht, de fout te beoordelen en te beoordelen of partijen al dan niet bewijzen dat zij niet in fout zijn.

De rechter heeft het toetsingsrecht om na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen

Ergens heeft die mildering natuurlijk een arbitrair karakter (ook al wordt gesteld dat het geen opportuniteitsoordeel mag zijn) … maar dat is geen nieuw gegeven.

Er werd besloten om te berusten in het vonnis.