Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 9 en 12 W. Succ. (thans art. 2.7.1.0.7 en 2.7.3.2.11 VCF)

Voorwerp betwisting

Toepassing fictieartikel 9 W. Succ. (thans art. 2.7.1.0.7 VCF) bij gesplitste aankoop onroerend goed  na overdracht door blote eigenaar

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2019/AR/12

Datum uitspraak

4 februari 2020

Status

Definitief

 

Toepassing fictieartikel 9 W. Succ. (thans art. 2.7.1.0.7 VCF) bij gesplitste aankoop onroerend goed  na overdracht door blote eigenaar

Samenvatting

Op 15 maart 1993 kochten mevr. R en V samen een appartement aan, het vruchtgebruik door mevr. R en de naakte eigendom door mevr. V.

Mevr. R. overleed op 29 maart 2014. Haar nicht mevr. V. is erfgenaam. In de aangifte van nalatenschap wordt verklaard dat mevr. V. de aankoop van de blote eigendom van het appartement heeft bekostigd met eigen gelden en mevr. R. daadwerkelijk gebruik maakte van het vruchtgebruik van het appartement. De Vlaamse Belastingdienst deelde mee dat de blote eigenaar moet aantonen dat zij de aankoop bekostigde met eigen middelen, dit in toepassing van art. 9 W. Succ. (thans art. 2.7.1.0.7 VCF).

De erfgename stelt dat de fictiebepaling van art. 9 W. Succ. ter zake geen toepassing kan vinden, vermits zij geen naakte eigenaar meer was van het appartement op het moment van het overlijden van de vruchtgebruiker en er bijgevolg geen aanwas heeft plaatsgevonden in haren hoofde. Ingevolge de echtscheiding uitgesproken bij vonnis van 13 september 2007 werd het appartement immers overgedragen aan haar ex-echtgenoot.

Het Hof van Beroep bevestigt integraal het vonnis in eerste aanleg van 23 oktober 2018.

De rechter verwijst naar art. 9 (thans art. 2.7.1.0.7 VCF) en art. 12 W. Succ. (thans art. 2.7.3.2.11 VCF). Op grond van voormelde wetsartikelen worden de roerende en onroerende goederen die wat betreft het vruchtgebruik door de erflater en wat betreft de blote eigendom door een derde onder bezwarende titel zijn verkregen, voor de heffing van de erfbelasting, geacht in volle eigendom in zijn nalatenschap aanwezig te zijn en als legaat door die derde te zijn verkregen. De vaststelling dat n.a.v. een echtscheiding de naakte eigendom van het appartement is toegewezen aan de voormalige echtgenoot van mevr. V. doet geen afbreuk aan de toepassing van art. 9 W. Succ. De rechtshandeling werd gesteld op 15 maart 1993 en dit is het ogenblik waarop de fictie van art. 9 W. Succ. van toepassing wordt; ongeacht een latere vervreemding door mevr. V. De rechter stelt vast dat mevr. V. samen met wijlen mevr. R. (de erflater) respectievelijk het vruchtgebruik en de blote eigendom van het appartement verkregen ten bezwarende titel. Het toepasselijke art. 9 W. Succ. bepaalt dat het appartement voor de heffing van het successierecht, geacht wordt in volle eigendom in de nalatenschap van mevr. R. voorhanden te zijn en door mevr. V. als legaat te zijn verkregen, tenzij het bewezen wordt dat de verkrijging of de inschrijving niet een bedekte bevoordeling ten behoeve van de derde is.

Art. 9 W. Succ. was op 15 mei 1993 toepasselijk en mevr. V. diende te weten dat indien mevr. R. voor haar zou komen te overlijden het appartement geacht zou worden integraal deel uit te maken van haar nalatenschap, tenzij zij het bewijs zou leveren dat er geen sprake was van een bedekte bevoordeling. Mevr. V. kon zich op basis van de op dat moment geldende wetgeving eraan verwachten dat zij het tegenbewijs van de bedekte bevoordeling ooit zou moeten leveren. Niets heeft mevr. V. belet zich daarop te voorzien en de nodige bewijsstukken van de herkomst van de financiering van de blote eigendom te bewaren. Het verweer van Mevr. V. dat de banken door het verstrijken van meer dan 10 jaar niet meer de rekeninguittreksels kunnen voorleggen, ontslaat haar niet van haar bewijslast. Het komt haar toe met alle middelen van recht aan te tonen dat de gesplitste aankoop geen bedekte bevoordeling uitmaakte. Concreet dient zij aan te tonen dat zij op 15 mei 1993 over de nodige persoonlijke gelden beschikte om de blote eigendom van het appartement aan te kopen. Louter de vermelding in de notariële akte dat de aankoop door mevr. V. gebeurde met haar eigen middelen, volstaat niet als bewijs. Die verklaring is louter eenzijdig en niet objectief controleerbaar aan de hand van concrete verantwoordingsstukken.

Mevr. V. verwijst naar notariële akten waaruit moet blijken dat ze over voldoende financiële middelen beschikte om de aankoop van de blote eigendom te financieren. De akten van 14 mei 1990 en 19 juni 1991 tonen aan dat haar vader twee onroerende goederen verkocht aan derden. Deze akten tonen aan dat haar vader op dat ogenblik over bepaalde financiële middelen beschikte. Er ligt geen bewijs voor dat die middelen door de vader aan zijn dochter werden geschonken. Eenzijdige verklaringen volstaan niet als bewijs. Het Hof kan in die omstandigheden enkel vaststellen dat mevr. V. niet voldoet aan het door art. 9 W. Succ. vereiste tegenbewijs, waardoor het onroerend goed voor de berekening van de erfbelasting geacht wordt deel uit te maken van de nalatenschap van wijlen mevr. R.

Het Hof besluit dat het hoger beroep ongegrond is.