Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.3.2.5 en 2.7.1.0.5, § 1 VCF

Voorwerp betwisting

Terugbetaling lening voor renovatie verkochte woning - bewijs artikel 2.7.1.0.5, §1 VCF

Rechtbank of Hof

Rechtbank van Eerste Aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/2668/A

Datum uitspraak

4 februari 2020

Status

Definitief

 

Terugbetaling lening voor renovatie verkochte woning - bewijs artikel 2.7.1.0.5, §1 VCF

Samenvatting

Binnen de drie jaar voor het overlijden van erflater verkocht zij een onroerend goed waarbij haar aandeel 140.140 EUR bedroeg.

Haar zoon, enige erfgenaam (belastingplichtige) dient een aangifte in zonder vermelding van dit bedrag. Dit bedrag werd dan ambtshalve na controle door Vlabel, toegevoegd bij het belastbaar actief van de nalatenschap. Belastingplichtige stelt dat de verkoopprijs integraal besteed werd en dus geen deel kan uitmaken van het actief.

In fase bezwaar werd een deel van de herbesteding aanvaard. Wat niet werd aanvaard is de  vermeende terugbetaling door erflater van een lening van 100.000 EUR voor de renovatie van de verkochte woning aan belastingplichtige, zodat belastingplichtige hiervoor een verzoekschrift richtte tot de rechtbank.

De rechtbank verwijst naar artikel 2.7.1.0.5, §1 VCF en 2.7.3.2.5 VCF.

Artikel 2.7.3.2.5 VCF creëert een wettelijk, weerlegbaar vermoeden ten voordele van de belastingadministratie, volgens hetwelk uit bepaalde akten die volstaan om vast te stellen dat op een gegeven moment de overledene eigenaar was van één of ander goed, tot bewijs van het tegendeel wordt afgeleid dat dit goed in de nalatenschap nog aanwezig is. In principe heeft de datum van de ingeroepen akte weinig belang; niettemin geldt ten aanzien van bepaalde roerende goederen het vermoeden slechts indien de akte niet dagtekent van meer dan drie jaar voor het overlijden. Van zodra de administratie bewijst dat de door hem beoogde situatie binnen de toepassingssfeer van artikel 2.7.3.2.5 VCF valt, worden de beoogde goederen geacht zich in het patrimonium van de overledene te bevinden en komt het aan de belastingplichtige toe om te bewijzen dat de geviseerde goederen geen deel meer uitmaakten van het vermogen van de overledene ten dage van zijn overlijden.

Ter zake wordt er niet betwist dat wijlen erflater naar aanleiding van de verkoop van een onroerend goed binnen de drie jaar voorafgaand aan haar overlijden - een bedrag van 140.140,00 EUR - ontving. De eigendom van dit bedrag in hoofde van de erflater blijkt uit de verkoopakte.

Het komt ter zake aan belastingplichtige toe om aan te tonen dat de door erflater ontvangen verkoopprijs geen deel meer uitmaakte van haar vermogen bij haar overlijden op 17 september 2016 op een wijze die de erfbelasting niet opeisbaar maakt.

  • Voor wat betreft 40.140,00 EUR zijn partijen het erover eens dat eiser het vereiste bewijs leverde. Dit bedrag werd niet opgenomen in de betwiste aanslag.
  • Voor wat betreft de overige som van 100.000,00 EUR bewijst belastingplichtige dat deze op 5 december 2014 naar hem overgeschreven werd, zonder mededeling.

Belastingplichtige stelt dat de overschrijving de terugbetaling van een lening betreft die hij aan zijn ouders toekende voor de renovatie van de verkochte woning. Dienaangaande brengt hij volgende stukken bij:

  • een uitgetikte verklaring gedateerd op 3 december 2014, waarin de erflater aangaf dat de som van 100.000,00 EUR de terugbetaling was van het geld dat zij van hem kregen om het project van de verbetering van het huis;
  • een aantal facturen van de aannemer gericht aan belastingplichtige op het adres van die woning met betrekking tot renovatiewerken uitgevoerd in de periode 2004-2005

Naar het oordeel van de rechtbank levert belastingplichtige op grond van voormelde stukken wel degelijk het vereiste tegenbewijs. De gelden werden aan hem overgemaakt middels overschrijving uitgevoerd door de erflater en hebben aldus haar vermogen verlaten voorafgaand aan haar overlijden.

Terecht verwijst Vlabel evenwel naar artikel 2.7.1.0.5, §1 VCF, op grond waarvan de goederen waarvan bewezen is dat de erflater er kosteloos over beschikte gedurende de drie jaar vóór zijn overlijden, geacht worden deel uit te maken van zijn nalatenschap, tenzij de bevoordeling onderworpen is aan de schenkbelasting of het registratierecht op de schenkingen onder de levenden.

Ter zake blijkt uit de stukken van het dossier dat erflater zonder enige mededeling een bedrag van 100.000,00 EUR naar belastingplichtige overschreef daags na de verkoop van voormelde woning en dat belastingplichtige daarvoor geen bewijskrachtige verklaring kan geven.

Hij bewijst weliswaar de overschrijving van de gelden naar hem, maar niet de rechtstitel op grond waarvan dit gebeurde. De verklaring van 3 december 2014 werd niet opgemaakt in tempore non suspecto; bovendien is de handtekening op het document - dat slechts een kopie betreft - niet te verifiëren en wordt ze niet ondersteund door enige mededeling bij de overschrijving zelf. De facturen van de aannemer dateren van ongeveer tien jaar voorafgaand aan de overschrijving van 5 december 2014. Belastingplichtige kan geen enkel stuk voorleggen dat wijst op het bestaan van de door hem beweerde lening voorafgaand aan de verkoop van de woning.

Bij gebrek aan bewijs dat de overschrijving van 100.000,00 EUR de terugbetaling betreft van een lening door de erflater of enige andere oorzaak onder bezwarende titel heeft, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat erflater gedurende de drie jaar voorafgaand aan haar overlijden over dit bedrag beschikte. Vermits op dit bedrag geen registratierechten of schenkbelasting betaald werd, wordt het geacht deel uit te maken van de nalatenschap van erflater.