Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.1.0.1, 2.7.3.1.1 en 2.7.3.2.2 VCF

Voorwerp betwisting

Recht van overgang bij overlijden niet-rijksinwoner - taalwet gerechtszaken

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/2334/A

Datum uitspraak

4 februari 2020

Status

Definitief

 

Recht van overgang bij overlijden niet-rijksinwoner - taalwet gerechtszaken

 

Samenvatting

 

Dhr. M. laatst wonende in Duitsland, is overleden in Duitsland op 1 juli 2016. Hij liet als wettige erfgenamen zijn echtgenote en drie kinderen na. De erflater was bij leven eigenaar van drie studio’s gelegen te Oostende. Deze onroerende goederen worden vermeld in de ingediende aangifte van recht van overgang bij overlijden. De Vlaamse Belastingdienst vestigt een aanslag op naam van de vier erfgenamen conform deze aangifte. Eén van de kinderen betwist de aanslag stellende dat haar vader woonachtig was in Duitsland en bijgevolg enkel daar belast kon worden en haar moeder het appartement gebruikte zodat zij als gebruiker ervan ter zake de belastingschuldige diende te zijn. Zij legde op 1 maart 2018 een in het Engels opgesteld verzoekschrift neer ter bestrijding van de aanslag.

Wat betreft de nietigheid van de gedinginleidende akte

Het gedinginleidend verzoekschrift dat niet werd opgesteld in de taal van de rechtspleging, zijnde het Nederlands, is nietig overeenkomstig art. 40, eerste lid van de Gerechtstaalwet. Nadat de griffie van deze rechtbank de belastingplichtige had aangemaand haar verzoekschrift in het Nederlands op te stellen legde zij op 25 juni 2018 een nieuw verzoekschrift neer dat geheel in het Nederlands was opgesteld.

Overeenkomstig art. 40, derde lid van de Gerechtstaalwet stuit de akte die nietig werd verklaard wegens overtreding van de wet, de op straffe van verval voorgeschreven termijnen van rechtspleging.

Doordat de rechtbank in dit vonnis het gedinginleidend verzoekschrift, dat op 1 maart 2018 werd neergelegd binnen de door art. 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven vervaltermijn van drie maanden, nietig verklaart, werd deze termijn voor het instellen van een vordering in rechte gestuit. Deze stuiting geldt tot op vandaag, datum waarop de akte nietig verklaard wordt. Het tweede verzoekschrift, neergelegd op 25 juni 2018, is dan ook tijdig. Het feit dat het stuitende effect het gevolg is van de nietigverklaring van het eerste verzoekschrift door het huidige vonnis belet niet dat thans vaststaat dat, als gevolg de stuiting, de termijn voor het instellen van een vordering in rechte nog niet was verstreken op het ogenblik waarop de belastingplichtige haar tweede verzoekschrift neerlegde. De termijn was als het ware geschorst vanaf de datum van de nietig verklaarde akte tot de rechterlijke beslissing die deze nietigheid uitspreekt (vlg. Brussel 26 mei 2015, TBBR 2017, afl. 2, 117).

Over de grond van de zaak

Krachtens de artikelen 2.7.1.0.1 juncto 2.7.3.1.1 juncto 2.7.3.2.2 VCF wordt een recht van overgang gevestigd op de waarde van de onroerende goederen die in het Vlaamse Gewest te lokaliseren zijn, die ingevolge diens overlijden, verkregen worden van iemand die geen Belgisch rijksinwoner is. Het feit dat haar moeder vruchtgebruikster is van de onroerende goederen doet geen afbreuk aan het feit dat de belastingplichtige de naakte eigendom van 1/3de van de onroerende goederen verwierf, en daarop als zakelijk gerechtigde belastbaar is. Het bestaan van een recht van vruchtgebruik in hoofde van haar moeder heeft gevolgen voor het in hoofde van de belastingplichtige belastbare bedrag maar leidt niet tot de afwezigheid van een belastbaar feit in hoofde van de belastingplichtige. Uit de toelichting bij het aanslagbiljet blijkt dat de belastingplichtige niet belast werd op haar aandeel in de waarde van de volle eigendom van de appartementen, maar op haar aandeel na aftrek van de waarde van het vruchtgebruik dat aan haar moeder toekwam (art. 2.7.3.3.2, 5° en 6° VCF).

De belastingplichtige kan niet gevolgd worden waar zij verwijst naar de Europese Erfrechtverordening (Verord. (EU) nr. 650/2012). Deze verordening werkt een regeling uit voor tal van burgerrechtelijke aspecten van de erfopvolging in de nalatenschap van een overleden persoon. Deze verordening laat evenwel de nationale fiscale gevolgen van een overlijden onverlet. Krachtens art. 1.1 van de verordening is deze “van toepassing op de erfopvolging in de nalatenschappen van overleden personen. Zij is niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken.” Overigens werd reeds jaren geleden minstens impliciet geoordeeld door het Hof van Justitie dat de Vlaamse reglementering inzake het heffen van een recht van overgang bij het overlijden van een niet-rijksinwoner als dusdanig niet onverenigbaar is met het Europese gemeenschapsrecht (vgl. HvJ. 11 september 2008, C-11/07, Eckelkamp).