Belasting

Procedure

Artikel

Art. 3.22.0.0.1, art. 2.7.1.0.7, art. 2.7.1.0.9 en  art. 3.17.0.0.2. VCF

Voorwerp betwisting

Voorafgaande beslissingen aanvechtbaar voor rechtbanken en hoven - omvang beoordelingsbevoegdheid - vordering tot verklaring van recht

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2018/AR/1269

Datum uitspraak

14 januari 2020

Status

Definitief tussenarrest

 

Voorafgaande beslissingen aanvechtbaar voor rechtbanken en hoven - omvang beoordelingsbevoegdheid - vordering tot verklaring van recht

Samenvatting

 

Op 1 augustus 2016 dienden de belastingplichtigen een aanvraag tot voorafgaande beslissing (VB 16046) in bij de Vlaamse Belastingdienst omtrent de toepassing van artikel 2.7.1.0.7 VCF en de antimisbruikbepaling opgenomen in artikel 3.17.0.0.2. VCF.

De voorgenomen verrichting betreft de schenking in volle eigendom van deelbewijzen van een burgerlijke maatschap door ouders (op het ogenblik van de voorafgaande beslissing 45j en 42j) aan hun minderjarige kinderen (op het ogenblik van de voorafgaande beslissing 4j en 7j) onder last voor de kinderen om jaarlijks een (te indexeren) rente te betalen van 30.000,00 euro aan de schenkers. Voorafgaand aan de schenking zou de burgerlijke maatschap worden opgericht, zouden de ouders worden aangeduid als zaakvoerder van de burgerlijke maatschap en zouden de aandelen van een patrimoniumvennootschap en een deel van een effectenrekening worden ingebracht.

Vlabel oordeelde dat artikel 2.7.1.0.7 VCF niet relevant is op voorwaarde dat het gaat om een vaste rente en dat het bedrag niet zo geformuleerd wordt dat het gelijkstaat met een vruchtgebruik. De belastingplichtigen betwisten dit niet en gaan hiermee uitdrukkelijk akkoord.

De betwisting tussen de partijen betreft de toepassing van artikel 2.7.1.0.9 VCF en van artikel 2.7.1.0.3, 3° juncto artikel 3.17.0.0.2 VCF, waarvan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie heeft geoordeeld dat deze van toepassing zijn op de voorgenomen verrichting en tot gevolg hebben dat, bij het overlijden van elk van de ouders, de helft van de zogenaamde schenking belast zal worden in de erfbelasting. De belastingplichtigen betwisten dit.

In het vonnis van 23 april 2018 heeft de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent beslist om de vordering van de belastingplichtigen ontoelaatbaar/onontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan (een actueel) belang (artikel 17 Ger. W.).

Het is tegen dat vonnis dat de belastingplichtigen hoger beroep hebben ingesteld.

 

Beoordeling Hof van beroep

De toelaatbaarheid en ontvankelijkheid van de vordering tot vernietiging van de voorafgaande beslissing

Volgens het Hof van Beroep stelt de eerste rechter ten onrechte dat de eisende partijen slechts doen blijken van een (als onvoldoende geacht) eventueel belang omdat zij nog geen enkel recht hebben verworven aangezien de aanslag nog niet werd gevestigd. Een belastingplichtige beschikt over het door de wet vereiste belang van zodra een administratieve beslissing of rechtshandeling voorhanden is die in ongunstige zin ingrijpt op zijn rechtstoestand. Een uitvoerbaar verklaarde aanslag is geen vereiste om te doen blijken van het door de wet vereiste belang (cfr. pretaxatiegeschillen, alsook de memorie van toelichting bij de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken die de artikelen 569, eerste lid, en 632 Ger. W. heeft gewijzigd, waaruit blijkt dat ook geschillen met de belastingadministratie die ontstaan zijn vóór elke inkohiering aanhangig kunnen worden gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg). Het wordt niet betwist dat de beslissing genomen door de diensten van Vlabel op 14 november 2016 een eenzijdige administratieve rechtshandeling betreft. Dergelijke rechtshandeling is, niettegenstaande nog geen uitvoering werd gegeven aan de rechtshandelingen die werden beoordeeld (hetgeen een ontvankelijkheidsvoorwaarde is voor een aanvraag tot voorafgaande beslissing - artikel 3.22.0.0.1 VCF), aanvechtbaar. Een ongunstige beslissing op een aanvraag tot voorafgaande beslissing grijpt in ongunstige zin in op de rechtstoestand van de aanvrager aangezien de beoogde rechtszekerheid omtrent de voorgenomen rechtshandelingen wordt geweigerd en de belangen van de aanvrager aldus worden geschaad. Ook de omstandigheid dat de aanvrager als gevolg van de vernietiging van de voorafgaande beslissing opnieuw een kans zou krijgen dat zijn situatie in gunstigere zin wordt beoordeeld, volstaat om zijn belang te verantwoorden. Het verkrijgen van de beoogde rechtszekerheid alsook van voormelde kans is een afdoende doel dat in hoofde van de belastingplichtige het vereiste belang bij het instellen van zijn rechtsvordering tegen de weigeringsbeslissing doet ontstaan.

Wie een vordering in rechte instelt teneinde een subjectief recht af te dwingen waarvan hij of zij beweert houder te zijn, beschikt over het vereiste belang in de zin van de artikelen 17 en 18 Ger. W. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van dit subjectief recht betreft niet de ontvankelijkheid maar de gegrondheid van de vordering (zie ook Cass. 23 februari 2012, Pas. 2012, 429; Cass. 4 februari 2011, Pas. 2011, 427).

Volgens het Hof van Beroep heeft de eerste rechter de vordering van de belastingplichtigen ten onrechte ontoelaatbaar/onontvankelijk verklaard bij gebrek aan het vereiste actueel belang. De belastingplichtigen doen blijken van het door de wet vereiste belang voor hun vordering tegen de weigeringsbeslissing. Hun vordering tot vernietiging van de voorafgaande beslissing is, bij gebrek aan ambtshalve op te werpen middelen, toelaatbaar en ontvankelijk.

De omvang van de bevoegdheid van het Hof

Het behoort niet aan de rechtbanken of de hoven om zich in de plaats te stellen van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie of om deze entiteit te bevelen zich in de een of andere zin uit te spreken. Het Hof heeft in deze geen volle rechtsmacht en kan niet in de plaats van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie treden om diens beslissingsbevoegdheid uit te oefenen, aldus het Hof. De omvang van de bevoegdheid van de rechtbanken en hoven is terzake beperkt tot een controle op de interne en externe wettigheid van de beslissing van de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie, dit wil zeggen tot de beoordeling of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bij de uitoefening van de haar op basis van artikel 3.22.0.0.1 VCF toegekende bevoegdheid de wettelijke voorschriften heeft nageleefd waaronder de algemene rechtsbeginselen, en of de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie haar bevoegdheid niet heeft overtreden en geen substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften heeft geschonden. De controle op de wettigheid van de beslissing van de bevoegde entiteit betreft de grond van de zaak.

Gelet op de beperkte bevoegdheid die het Hof terzake heeft, kan volgens het Hof niet ingegaan worden op de (in hoofdorde gestelde) vordering van de belastingplichtigen om zelf een gunstige voorafgaande beslissing te nemen.

De toelaatbaarheid van de in ondergeschikte orde gestelde vordering tot het verkrijgen van een verklaring van recht

Krachtens artikel 18 Ger. W. moet het belang een reeds verkregen en dadelijk belang zijn. Artikel 18, lid 2 Ger. W. laat hierop een uitzondering toe waar het bepaalt dat een rechtsvordering kan worden toegelaten, indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen.

Bij de (in ondergeschikte orde gestelde) vordering tot het verkrijgen van een verklaring van recht doen de belastingplichtigen niet blijken van een reeds verkregen en dadelijk belang, aldus het Hof. Aan de door hen voorgenomen rechtshandelingen is immers nog geen uitvoering gegeven.

Opdat artikel 18, lid 2 Ger. W. van toepassing is en opdat aldus een vordering tot verklaring van recht toelaatbaar is, moeten de eisende partijen bewijzen dat het recht, waaromtrent een verklaring wordt gevraagd, ernstig bedreigd is en dat die bedreiging reeds een welbepaalde verstoring veroorzaakt.

Daarnaast moet blijken dat de rechterlijke verklaring die wordt nagestreefd niet enkel een louter theoretische voldoening zal geven maar ook een concreet en welbepaald nut zal hebben. De rechterlijke verklaring mag derhalve geen eenvoudige juridische consultatie of een louter advies worden. Een vordering kan immers niet gesteld worden met een louter theoretisch doel.

De belastingplichtigen tonen niet aan en maken evenmin aannemelijk dat het recht, waaromtrent zij een verklaring van recht vragen, ernstig bedreigd is na vernietiging van de voorafgaande beslissing (wat de hypothese is waarin de verklaring van recht wordt gevraagd) en dat deze bedreiging reeds een welbepaalde verstoring veroorzaakt. Aan de door de belastingplichtigen voorgenomen rechtshandelingen is immers nog geen uitvoering gegeven en, na vernietiging van de voorafgaande beslissing (wat, wederom, de hypothese is waarin de verklaring van recht wordt gevraagd) moet Vlabel geacht worden nog geen standpunt te hebben ingenomen betreffende de voorgenomen rechtshandelingen. In die omstandigheden zou middels de gevorderde verklaring van recht slechts het standpunt van dit Hof worden gevraagd over een toekomstig en onzeker proces, wat niet toegelaten is.

Volgens het Hof is de door de belastingplichtigen (in ondergeschikte orde) gevorderde verklaring van recht ontoelaatbaar bij gebrek aan belang.

De gegrondheid van de vordering tot vernietiging van de voorafgaande beslissing

De vraag stelt zich vervolgens of de voorafgaande beslissing van 14 november 2016 aangetast is door een onwettigheid, m.n. of de door de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie voorgestane interpretatie onverenigbaar blijkt met de van kracht zijnde wetsbepalingen van de VCF.

Het Hof stelt vast dat Vlabel terzake geen enkel standpunt heeft ingenomen in conclusie. Waar dit stilzwijgen er kan op wijzen dat zij het standpunt verwoord in haar voorafgaande beslissing herhaalt, onderschat zij het belang van een tegensprekelijk debat tijdens deze gerechtelijke procedure volgens het Hof. Teneinde de tegenspraak in dit debat ook op dit punt op te starten, beslist het Hof om het debat ambtshalve te heropenen met uitdrukkelijk verzoek aan Vlabel om in conclusies het standpunt ingenomen in de voorafgaande beslissing van 14 november 2016 te verdedigen, mede rekening houdend met de middelen die de belastingplichtigen desbetreffend hebben ontwikkeld in conclusies. De belastingplichtigen krijgen de gelegenheid om hierop te repliceren, waarna Vlabel het laatste woord krijgt.

Het Hof verzoekt de partijen uitdrukkelijk om enkel nog te concluderen over de middelen waarover dit Hof zijn rechtsmacht nog niet heeft uitgeput (m.i.v. de vordering tot schadevergoeding; er wordt 2.500 EUR gevorderd omwille van schending rechtszekerheidsbeginsel, schending rechten van verdediging, foutieve toepassing van de wetgeving. en de mogelijkheid tot gedeeltelijke vernietiging van de voorafgaande beslissing).