Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 3.3.1.0.7. VCF en art. 3.18.0.0.6. VCF

Voorwerp betwisting

Belastingverhoging wegens laattijdige aangifte - vraag tot uitstel is niet hetzelfde als toegekend uitstel - bewijs aanvraag uitstel

Rechtbank of Hof

Hof van Beroep

Plaats

Gent

Rolnummer

2019/AR/186

Datum uitspraak

7 januari 2020

Status

Definitief

 

Belastingverhoging wegens laattijdige aangifte - vraag tot uitstel is niet hetzelfde als toegekend uitstel - bewijs aanvraag uitstel

 

Samenvatting

 

Op 20 april 2015 overleed mevrouw D. De belastingplichtige was de enige erfgename van wijlen mevrouw D. Zij diende op 5 januari 2016 een aangifte van nalatenschap in en vermeldt als keuze van woonplaats het adres van de heer S. VLABEL verstuurde op 5 februari 2016 naar de heer S. het aanslagbiljet inzake de erfbelasting gevestigd ten laste van de belastingplichtige. In deze aanslag werd een belastingverhoging opgelegd van 5% wegens de laattijdige indiening van de aangifte. VLABEL verstuurde op 12 augustus 2016 een herinneringsbrief, met de mededeling dat de erfbelasting nog niet volledig is betaald. Deze herinnering werd eveneens verzonden naar de heer S.

De belastingplichtige diende met een e-mail van 9 oktober 2016 tegen deze aanslag een bezwaarschrift in. Op 23 november 2016 verstuurt de heer S. naar VLABEL een e-mail met de mededeling dat uit e-mailverkeer zou moeten blijken dat een uitstel voor het indienen van de aangifte werd aangevraagd. Met de beslissing van 23 mei 2017 wees VLABEL het bezwaarschrift van de belastingplichtige af als ongegrond.

Met een verzoekschrift van 16 augustus 2017 stelde de belastingplichtige haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. In het vonnis van 30 oktober 2018 wijst de rechtbank de vordering van belastingplichtige af als ongegrond. Het is tegen dat vonnis dat de belastingplichtige hoger beroep heeft ingesteld.

De belastingplichtige voert aan dat ten onrechte een belastingverhoging van 5% werd opgelegd wegens een laattijdige indiening van de aangifte van nalatenschap. Volgens haar werd een uitstel gevraagd door de heer S. De belastingplichtige laat gelden dat VLABEL erkent dat een uitstel werd gevraagd in de volgende zin uit de beslissing waarbij het bezwaarschrift werd afgewezen: "Uit e-mailverkeer blijkt dat uitstel van indiening mogelijk werd gevraagd. Concluante is formeel en heeft steeds van in den beginne duidelijk te verstaan gegeven dat er om uitstel gevraagd werd.”

De belastingplichtige merkt op dat uitstel diende te gebeuren via het inloggen op de website van VLABEL, hetgeen haar vertegenwoordiger correct zou gedaan hebben. Aangezien dit systeem echter geen bevestiging daarvan ter beschikking stelt, meent zij dat het onmogelijk is voor haar om de aanvraag van het uitstel te bewijzen. Zij vindt dan ook dat dit systeem een fout bevat waarvan zij niet het nadeel mag ondervinden via een belastingverhoging van 5%. Ze stelt dat in die omstandigheden de belastingverhoging niet aanvaard wordt en dan ook dient te worden afgewezen.

Artikel 3.3.1.0.5, §2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) bepaalt dat de termijn voor het inleveren van de aangifte van nalatenschap, behoudens verlenging, vier maanden bedraagt vanaf de datum van het overlijden. Artikel 3.18.0.0.6 VCF bepaalt dat een belastingverhoging verschuldigd is wegens laattijdige indiening van de aangifte van 5% van de te betalen erfbelasting wanneer de aangifte wordt ingediend binnen de 5 maanden na het verstrijken van de aangiftetermijn. Deze belastingverhoging wordt verlaagd tot 1% van de te betalen erfbelasting wanneer met toepassing van artikel 3.3.1.0.7 VCF de aangiftetermijn is verlengd. Artikel 3.3.1.0.7 VCF bepaalt dat de aangiftetermijn door het bevoegde personeelslid kan worden verlengd.

De belastingplichtige voert aan dat ze tijdig een uitstel heeft gevraagd voor het indienen van de aangifte. Ze zou dit echter niet kunnen bewijzen precies omdat het computersysteem van de belastingdienst destijds (thans wel) geen bewijs verstrekt van een aanvraag tot uitstel.

Volgens het hof van beroep moet vooreerst worden opgemerkt dat een aanvraag tot het verkrijgen van een uitstel niet kan worden gelijkgesteld met de toekenning van een uitstel. Het vermelde artikel 3.3.1.0.7 VCF bepaalt duidelijk dat de aangiftetermijn kan worden verlengd door het bevoegde personeelslid. Die bepaling laat degene die gehouden is tot het indienen van de aangifte niet toe aan te nemen dat het indienen van een aanvraag meteen ook betekent dat een uitstel is of met zekerheid wordt toegekend. Daar waar de belastingplichtige zich gegriefd voelt door het (destijds) ontbreken van een afleveren van een ontvangstbewijs van een aanvraag tot uitstel, kan zij louter uit die aanvraag geen rechten putten. VLABEL voert daartegen bovendien terecht aan dat de belastingplichtige zich pas op een uitstel kan beroepen op het moment dat dit schriftelijk toegekend is door de administratie.

Bovendien heeft de vertegenwoordiger van de belastingplichtige uitdrukkelijk verklaard dat de aanvraag tot uitstel "per mail" gebeurde. De belastingplichtige (of haar vertegenwoordiger) bevindt zich dus wel in de mogelijkheid om via haar eigen e-mail te bewijzen dat tijdig een vraag tot uitstel werd gesteld. Zij legt die e-mail niet voor waardoor ze haar eigen stelling niet bewijst.

Daarenboven legt de administratie een uittreksel voor van (het logboek van) het systeem waaruit blijkt dat de heer S. omstreeks hetzelfde tijdstip in andere dossiers wel termijnverlengingen heeft ingediend, maar niet in het dossier van de belastingplichtige.

De belastingplichtige bewijst niet dat haar een uitstel voor het indienen van de aangifte werd toegekend, maar bovendien ook niet dat ze een uitstel heeft aangevraagd, niet per mail noch via het computersysteem waarvan VLABEL het hier relevante overzicht voorlegt.

Op grond van de voormelde bepalingen kon de administratie terecht de belastingverhoging opleggen wegens het laattijdig indienen van de aangifte in de nalatenschap. Het hoger beroep van de belastingplichtige is ongegrond.