Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 1434 BW en art. 2.7.3.2.7 VCF

Voorwerp betwisting

Echtgenoten gehuwd met stelsel van gemeenschap – Bewijs eigen aard gelden

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/2881/A

Datum uitspraak

19 december 2019

Status

Definitief


Samenvatting

Echtgenoten gehuwd met stelsel van gemeenschap - Bewijs eigen aard gelden gestort door langstlevende echtgenoot op gemeenschappelijke rekening

De echtgenoten D. en B. waren ingevolge hun huwelijkscontract gehuwd onder het wettelijk stelsel. Tijdens het huwelijk werden er door de heer B. eigen gelden gestort op gemeenschappelijke rekeningen toebehorend aan hem en zijn echtgenote. In de aangifte van nalatenschap wordt vermeld dat een deel van het saldo op de bank- en effectenrekeningen afkomstig zijn van eigen goederen van de man. De aangifte vermeldt: “De goederen zijn eigen goederen en de ervan in de plaats gekomen goederen behouden hun eigen karakter en zijn bijgevolg niet te beschouwen als gemeenschappelijk vermogen, dan wel is het gemeenschappelijk vermogen ten belope van dat bedrag een vergoeding verschuldigd aan het eigen vermogen (toepassing van Cass. 21 januari 2011, C.10.0228.N, randnr.3).”

De rechter verwijst naar art. 1434 BW en art. 2.7.3.2.7 VCF.
Art. 1434 BW bepaalt dat het gemeenschappelijk vermogen vergoeding verschuldigd is ten belope van de eigen of uit vervreemding van een goed voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn belegd of weder belegd, alsook, in het algemeen, telkens als het voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een der echtgenoten.

Storting van eigen gelden op een gemeenschappelijke rekening vallen, behoudens tegenbewijs, in het gemeenschappelijk vermogen. Hieruit volgt dat het gemeenschappelijk vermogen vergoeding is verschuldigd telkens als eigen gelden erin zijn terechtgekomen. (Cass. 21 januari 2011, C.10.0228.N).

Art. 2.7.3.2.7 VCF bepaalt: “Voor de inning van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen of afstammelingen worden de terugnemingen en vergoedingen die verbonden zijn hetzij aan de gemeenschap die heeft bestaan tussen de erflater en een echtgenoot, met wie de erflater bij het overlijden levende kinderen of afstammelingen heeft, hetzij aan de gemeenschap die tussen de verwanten in de opgaande lijn van de erflater heeft bestaan, niet in aanmerking genomen.”

De rechtbank stelt vast dat er m.b.t. de – op de gemeenschappelijke rekeningen gestorte – eigen gelden van de echtgenoot vermenging is opgetreden met de gelden van het gemeenschappelijk vermogen. De gelden hebben tijdens het huwelijk voor het overgrote deel immers het voorwerp uitgemaakt van diverse transfers tussen gemeenschappelijke zicht-, spaar- en effectenrekeningen en een transfer naar de vennootschap van de echtgenoten. Aldus wordt vermoed dat de echtgenoot een gezamenlijke bestemming wilde geven aan deze gelden. Het is niet bewezen dat het de bedoeling was van hem dat zijn oorspronkelijke eigen gelden hun eigen bestemming behouden. Het totale bedrag van het aangegeven gemeenschappelijk roerend vermogen werd aldus in principe terecht belast.

In ondergeschikte orde voert de echtgenoot aan dat rekening moet worden gehouden met een vergoedingsrekening, waarvan ter terechtzitting echter is verduidelijkt dat die niet is opgesteld. De opstelling van een vergoedingsrekening zou ter zake immers geen nut hebben aangezien art. 2.7.3.2.7 VCF bepaalt dat met een dergelijke vergoeding geen rekening wordt gehouden voor de inning van het successierecht in rechte nederdalende lijn of tussen echtgenoten met gemeenschappelijke kinderen.