Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art 142² W. Succ. en artikel 3.9.2.0.1 VCF

Voorwerp betwisting

Moratoriumintresten bij teruggave successierechten – Werking in de tijd – Teruggave wegens belasting in het buitenland – Geen vergissing

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/1344/A

Datum uitspraak

18 december 2019

Status

Definitief


Samenvatting

Tot het roerend actief van de huwgemeenschap van het echtpaar S. – D. behoorden 6.000 aandelen van een vennootschap naar Nederlands recht S. BV. Aldus behoorde de helft van deze aandelen tot de nalatenschap van wijlen dhr. S. De FOD Financiën heft successierechten op de aandelen. Dit bedrag wordt door de erfgenamen vereffend.

Ingevolge de Nederlandse fiscale wetgeving zijn de erfgenamen tevens Nederlandse erfbelasting op de waarde van deze aandelen verschuldigd. De erfgenamen worden in het ongelijk gesteld in hun poging om de Nederlandse heffing als een met het Europees communautair recht onrechtmatige dubbele belasting te laten kwalificeren.

Bij brief van 31 augustus 2011 dienen de erfgenamen een verzoek tot teruggave van de successierechten bij de Belgische belastingadministratie in. Op 1 januari 2015 volgt de overdracht van de bevoegdheden inzake het successierecht van de Federale Overheid naar het Vlaamse Gewest.

Op 15 maart 2016 richten de erfgenamen een verzoek tot ambtshalve ontheffing van de Belgisch betaalde successierechten op de aandelen, rekening houdend met de Nederlandse erfbelasting, tot de Vlaamse Belastingdienst.

Dit verzoek wordt ingewilligd en er volgt een teruggave van de teveel betaalde successierechten en intresten. Er ontstaat evenwel discussie over het bedrag van de moratoriumintresten.

De rechtbank stelt dat ingevolge het decreet van 19 december 2014 tot wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 (behoudens een aantal bepalingen) het Wetboek van Successierechten werd opgeheven. Vanaf 1 januari 2015 is de nieuwe regeling die voorzien is in de Vlaamse Codex Fiscaliteit van kracht. In het bijzonder wat betreft de moratoriumintresten is, gezien geen specifieke overgangsbepalingen zijn voorzien, het art. 3.9.2.0.1 VCF van toepassing. De rechtbank kan de erfgenamen niet bijtreden dat de oude wet van toepassing zou zijn (meer bepaald het art. 142² W. Succ.) op de moratoriumintresten die verschuldigd zijn vanaf 1 januari 2015 omdat de rechtshandeling of toestand juridisch zou voltrokken zijn onder die oude wet. Immers, een nieuwe wet is niet alleen van toepassing op toestanden die na haar inwerkingtreding ontstaan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de oude wet ontstane toestanden, die zich voordoen of voortduren onder het van kracht zijn van de nieuwe wet. (zie Cass. 25 mei 2000, FJF, 2000, 183; Cass. 21 februari 2003, FJF, 2003, 191). De erfgenamen konden dus op de moratoire intresten aanspraak maken tot en met 31 december 2014. Zij konden zich niet langer beroepen op art. 142² W. Succ. om moratoire intresten te bekomen vanaf 1 januari 2015.

De vraag stelt zich nu of de erfgenamen aanspraak kunnen maken op moratoire intresten vanaf 1 januari 2015 op grond van art. 3.9.2.0.1 VCF. Onafgezien de vraag of er van een vergissing sprake is, kan dit criterium niet gehanteerd worden voor de periode van voor de inwerkingtreding van art. 3.9.2.0.1 VCF. In de oude wetgeving (art. 142² W. Succ.) was de “vergissing” geen criterium om al dan niet moratoriumintresten vergoed te krijgen. Overigens de erfgenamen zijn voor deze periode ruimschoots vergoed voor de niet-betaling gezien zij daarvoor moratoriumintresten ontvangen hebben. Zelfs in de hypothese dat het niet-handelen van de federale fiscale belastingadministratie als een “vergissing” zou kunnen aangemerkt worden, dan nog is dit geen valabel criterium voor de toekenning van de moratoriumintresten. Het handelen van de FOD Financiën kan niet retroactief geëvalueerd worden op basis van de nieuwe en op haar niet toepasbare wet.

De rechtbank kan de erfgenamen overigens niet bijtreden dat er inzake een vergissing van de fiscale administratie is toe te schrijven gezien de successierechten zijn gevestigd op basis van de aangifte van de erfgenamen. Door de omstandigheid dat na de vestiging van de Belgische aanslag door een Nederlands rechtscollege wordt beslist dat ook Nederlandse successierechten verschuldigd zijn die tot een ontheffing van de Belgische successierechten hebben geleid, kan de niet-terugbetaling niet als een vergissing in hoofde van de Belgische fiscale administratie worden beschouwd. De Vlaamse Belastingdienst heeft aldus terecht de moratoriumintresten met ingang van 1 januari 2015 aan de erfgenamen ontzegd.