Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.1.0.3, 1° en 2.7.3.4.3 VCF

Voorwerp betwisting

Passiefpost leningsschuld terecht verworpen wegens gebrek aan bewijs

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/849/A

Datum uitspraak

3 december 2019

Status

Definitief

 

Passiefpost leningsschuld terecht verworpen wegens gebrek aan bewijs

Samenvatting

Wijlen A. W. overleed op 5 december 2016. Zij liet haar enige zoon achter als wettelijke erfgenaam van haar volledige nalatenschap in volle eigendom.

Bij authentiek testament van 19 mei 2016 deed de overledene volgende schuldbekentenis:

"Ik erken dat mijn zoon E. mij voor een totaal bedrag van [...] (€ 66.750) per maandelijkse fracties, om mij te helpen in mijn levensonderhoud, geleend heeft.

lk erken aldus schuldig te zijn aan mijn zoon E. deze som terug te betalen. Deze som zal integraal en bij prioriteit van mijn nalatenschap moeten afgetrokken warden om hem terug te betalen, om zodoende mijn schuld af te lossen.”

Op 22 maart 2017 deed de belastingplichtige aangifte van nalatenschap. Daarbij werd het bedrag van 66.750,00 EUR opgenomen in het passief van de nalatenschap als "terugbetaling lening".

Op 2 mei 2017 werd in hoofde van de belastingplichtige een aanslag in de erfbelasting van aanslagjaar 2016 gevestigd. VLABEL meldde dat de passiefpost ten belope van 66.750,00 EUR verworpen werd in toepassing van artikel 2.7.1.0.3. VCF. Alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn, worden als legaten beschouwd.

Het bezwaar van de belastingplichtige tegen deze aanslag werd afgewezen. De Vlaamse Belastingdienst bleef bij haar standpunt en beschouwde de schuldbekentenis van de overledene als een fictief legaat, aangezien belastingplichtige niet in staat was een zorgcontract of leningsovereenkomst voor te leggen buiten de schulderkenning in het testament.

Met een verzoekschrift van 5 maart 2018 stelde de belastingplichtige een vordering in bij de rechtbank.

Artikel 2.7.1.0.3., 1° VCF luidt als volgt:

“Worden met het oog op de heffing van het successierecht als legaten beschouwd:

1 ° Alle schulden die uitsluitend bij uiterste wil erkend zijn;

[...]."

Artikel 2.7.3.4.3. VCF luidt als volgt:

“De schulden en schuldbekentenissen, vermeld in artikel 2.7.1.0.3, worden niet aanvaard als passief van de nalatenschap."

Opdat de fictiebepaling van artikel 2.7.1.0.3., 1° VCF toepassing kan vinden, moeten de 3 volgende voorwaarden samen vervuld zijn:

  1. er moet een schuldbekentenis zijn;
  2. deze schuldbekentenis moet in een testament voorkomen;
  3. het testament moet het enige instrument zijn waarin de het bestaan van de schuld wordt erkend.

Partijen betwisten niet dat wijlen A. W. in een testament het bestaan van voormelde schuld van 66.750,00 EUR ten aanzien van de belastingplichtige erkende. Als gevolg hiervan wordt voormeld bedrag geacht een legaat aan de belastingplichtige te zijn en wordt het niet in het passief van de nalatenschap aanvaard, tenzij de belastingplichtige het bestaan van de schuld bewijst buiten het testament om.

Bij gebrek aan daarvan afwijkende bepalingen gelden inzake dit tegenbewijs de regels van het burgerlijk recht.

De belastingplichtige stelt dat de schuld van wijlen zijn moeder ontstaan is ingevolge maandelijkse overschrijvingen van 375,00 EUR die hij jarenlang ten titel van hulpvaardigheid op rekening van zijn moeder verrichtte en waarvoor er een principiële terugbetalingsverplichting in hoofde van wijlen zijn moeder bestond.

Een overeenkomst waarbij een persoon een zaak geeft aan een ander persoon om daar gebruik van te maken, onder verplichting voor de laatste om ze terug te geven na er gebruik van gemaakt te hebben of na het verstrijken van de overeengekomen termijn, kwalificeert als een lening, aldus de rechtbank.

De belastingplichtige die stelt dat er in wezen een lening voorlag tussen hemzelf en zijn moeder, moet het bestaan daarvan bewijzen. Daartoe moet hij aantonen (vgl. Cass. 14 november 1985, Arr. Cass., 1985-1986, 359):

  1. dat hij de gelden waarop een terugbetalingsverplichting in hoofde van zijn moeder rustte, daadwerkelijk aan haar overmaakte (dit is de zogenaamde afgifte van de zaak);
  2. dat hij deze heeft overgemaakt onder de verplichting om deze sommen terug te betalen;
  3. dat wijlen zijn moeder de verbintenis op zich heeft genomen de haar ter beschikking gestelde gelden terug te betalen (artikelen 1315, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek).

De afgifte van de zaak is een rechtsfeit en kan door alle middelen van recht bewezen worden.

De belastingplichtige bewijst aan de hand van de voorgelegde overschrijvingsbewijzen dat hij een totaal bedrag van 39.375,00 EUR overgemaakt heeft aan wijlen zijn moeder. Voor wat betreft dit bedrag staat de afgifte van de zaak vast.

Het bewijs van de terugbetalingsverbintenis kan niet afgeleid worden uit de loutere afgifte van de zaak; het moet geleverd worden overeenkomstig de bewijsregels van het burgerlijk recht, inzonderheid artikel 1341 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan een akte voor een notaris of een onderhandse akte opgemaakt moet worden van alle zaken die de som of de waarde van 375,00 EUR - zoals ter zake, gelet op de beweerde terugbetalingsverplichting van 66.750,00 EUR-te boven gaan.

Een notariële akte ligt ter zake niet voor, zodat de leningsovereenkomst moet bewezen worden, hetzij door een geschrift dat voldoet aan de vereisten van artikel 1326 van het Burgerlijk Wetboek, hetzij door een begin van bewijs door geschrift, aangevuld met vermoedens of getuigen (artikel 1347 van het Burgerlijk Wetboek).

Een geschrift in de zin van artikel 1326 van het Burgerlijk Wetboek ligt alvast niet voor.

Een begin van bewijs door geschrift moet aan volgende voorwaarden voldoen:

  • er moet een geschrift zijn;
  • het geschrift moet uitgaan van de persoon tegen wie het geschrift wordt aangevoerd;
  • in dit geschrift moet het beweerde feit (in casu: de leningsovereenkomst) waarschijnlijk worden gemaakt.

Ter zake moet de rechtbank vaststellen dat het enige bewijselement bijgebracht door belastingplichtige de kwestieuze rekeninguittreksels betreft. Deze rekeninguittreksels gaan uit van de belastingplichtige zelf en niet van de persoon tegen wie zij zouden worden aangevoerd (per hypothese wijlen A. W.), zodat zij geen begin van bewijs door geschrift van de terugbetalingsverbintenis kunnen uitmaken. Bovendien maken de rekeninguittreksels de terugbetalingsverplichting in hoofde van wijlen A. W. op geen enkele wijze waarschijnlijk.

Enig begin van bewijs door geschrift zou moeten uitgaan van wijlen A. W. De schulderkentenis in het testament kan dergelijk bewijs uiteraard niet uitmaken, gelet op de fictie vervat in de artikelen 2.7.1.0.3., 1° en 2.7.3.4.3. VCF.

Zelfs mocht de rechtbank de rekeninguittreksels aanvaarden als begin van bewijs door geschrift, dan nog wordt dit begin van bewijs niet aangevuld met deugdelijke vermoedens. De testamentaire schuldbekentenis van A. W. is ook op dit punt niet deugdelijk te noemen, gelet op voormelde fictiebepaling. Het omgekeerde aannemen zou leiden tot een cirkelredenering.

Tot slot is de verwijzing van belastingplichtige naar het cassatiearrest van 19 januari 2009 niet dienend volgens de rechtbank. Niet alleen was in de mededeling bij de overschrijvingen in de aan het Hof voorgelegde casus gewag gemaakt van "voorschotten", een term die wijst op het voorlopig karakter van een betaling; bovendien, anders dan in de zaak die aan het Hof van Cassatie werd voorgelegd, heeft belastingplichtige de bedragen ook nooit teruggevorderd van wijlen A. W.

De rechtbank verklaart de vordering van de belastingplichtige dan ook ongegrond.

Commentaar

De rechtbank somt in dit vonnis de bestaansvoorwaarden van een lening op. In casu kan de belastingplichtige enkel de afgifte van de zaak (gelden) aantonen. Hij slaagt er niet in aan te tonen dat hij deze heeft overgemaakt onder de verplichting om deze sommen terug te betalen, noch dat wijlen zijn moeder de verbintenis op zich heeft genomen de haar ter beschikking gestelde gelden terug te betalen.
 
Terecht stelt de rechtbank dat de verwijzing van belastingplichtige naar het cassatiearrest van 19 januari 2009 (Cass. 19 januari 2009, RW 2009-10, 1084-1087) niet dienend is. Volgens belastingplichtige heeft het Hof van Cassatie in haar arrest d.d. 19 januari 2009 een onderscheid gemaakt tussen animus donandi (wil om te schenken uit vrijgevigheid) en animus solvendi (wil om een schuld te betalen uit hulpvaardigheid) om zo ruimte te laten bestaan voor hulpvaardigheid, zonder dat er een afstraffing plaatsvindt op het ogenblik dat de gelden worden teruggevraagd. Er ligt aldus in casu duidelijk een andere reden voor de transactie voor dan de loutere vrijgevigheid, i.e. hulpvaardigheid, aldus belastingplichtige. Aldus bestaan er voor belastingplichtige gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens dat de stortingen wel degelijk betrekking hadden op een schuld, die voor de ontvanger (moeder) een verplichting tot terugbetaling inhield.
 
De rechtbank wijst echter op belangrijke verschillen tussen de casus die voorgelegd werd aan Cassatie en huidige zaak. Niet alleen was in de mededeling bij de overschrijvingen in de aan het Hof voorgelegde casus gewag gemaakt van "voorschotten", een term die wijst op het voorlopig karakter van een betaling; bovendien, anders dan in de zaak die aan het Hof van Cassatie werd voorgelegd, heeft belastingplichtige de bedragen ook nooit teruggevorderd van wijlen A. W. In huidige zaak is dus geen sprake van de wil om een schuld te betalen uit hulpvaardigheid.