Belasting

Procedure

Artikel

Artikel 3.9.1.0.2 VCF

Voorwerp betwisting

Motivering kwijtschelding nalatigheidsintresten

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/2614/A

Datum uitspraak

3 december 2019

Status

Definitief


Samenvatting

Motivering bestuurshandelingen

De raadsman van de voogd over de twee minderjarige kinderen (enige erfgenamen van erflater) verzocht in een schrijven van 22 februari 2018 om, gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak de twee kinderen vrij te stellen van de sinds 1 november 2017 lopende nalatigheidsintresten.

Dit verzoek werd afgewezen bij administratieve beslissing van 25 april 2018.

Gelet op de afwijzing werd een procedure ingesteld.

De rechtbank stelt dat de beslissing van 25 april 2018 niet beantwoord aan de vereisten van een afdoende motivering.

Immers, inzake de motiveringsverplichting in hoofde van het bevoegde personeelslid verplichten de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op ‘afdoende’ wijze. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het afdoende karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben en dat ze daadkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen.

De kwestieuze beslissing beslaat twee bladzijden. In een eerste deel schetst het bevoegde personeelslid het wettelijk kader en benadrukt zij het eigen rechtsgeldig optreden.

Op de eigenlijke weigering tot kwijtschelding van de nalatigheidsintresten wordt enkel ingegaan middels volgende zinsnede:

‘De nalatigheidsintrest kan niet worden kwijtgescholden, niettegenstaande wij ons wel bewust zijn van de lange doorlooptijd van dergelijke procedures’.

Afdoend pertinent motiveren houdt ook in dat het bevoegde personeelslid aangeeft waarom hij de door de belastingplichtigen aangebrachte argumenten niet heeft aanvaard. Het louter parafraseren van de wettelijke bepalingen ter zake en het beklemtonen van het eigen gelijk (dat per hypothese voorligt, anders zou de belastingplichtige een subjectief recht hebben en geen gunst moeten vragen) zijn geen pertinente overwegingen in het kader van een verzoek tot kwijtschelden van nalatigheidsintresten overeenkomstig artikel 3.9.1.0.2 VCF.

De genomen beslissing laat de belastingplichtigen überhaupt niet toe na te gaan of de feiten die zij het bevoegde personeelslid heeft voorgelegd bestudeerd en beoordeeld werden en of het personeelslid op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. De gegeven motivering is niet pertinent en niet dragend voor de genomen beslissing.