Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artikel 5 W. Succ. en art. 48, §1 W. Succ. (thans art. 2.7.1.0.4 en art. 2.7.4.1.1 §1 VCF)

Voorwerp betwisting

Berekeningswijze van de overbedeling van de huwgemeenschap bij een beding van ongelijke verdeling

Rechtbank of Hof

Hof van Cassatie

Plaats

/

Rolnummer

F.18.0089.N

Datum uitspraak

28 november 2019

Status

Doorverwijzing Hof van Beroep Antwerpen


Samenvatting

Het Hof van Cassatie verwijst vooreerst naar de artikelen 5 en 48, §1, Tabel I van het Wetboek Successierechten (thans art. 2.7.1.0.4 en art. 2.7.4.1.1 §1 VCF).

Art. 5 Wetboek Successierechten, vóór de opheffing ervan, voor wat betreft het Vlaams Gewest, bij art. 5.0.0.0.1, 4°, van het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, bepaalt dat de overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, wordt gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt.

Artikel 48, §1, Tabel I, Wetboek Successierechten, vóór de opheffing ervan, geeft de tarieven weer die van toepassing zijn op de vererving in rechte lijn en tussen partners.

Krachtens §2 worden die tarieven per rechtverkrijgende toegepast op de nettoverkrijging in de onroerende goederen enerzijds en op de nettoverkrijging in de roerende goederen anderzijds.

Het Hof stelt dat uit deze bepalingen volgt dat de overlevende echtgenoot die ingevolge een beding van ongelijke verdeling meer in zijn kavel verkrijgt dan de helft van de gemeenschap, afzonderlijk belast wordt op de waarde van de roerende en onroerende goederen die hij meer heeft verkregen dan bij een gelijke verdeling in natura van de gemeenschap.

In casu zijn de echtgenoten in hun huwelijkscontract overeengekomen dat de langstlevende de volle eigendom van de helft van het gemeenschappelijk vermogen en het levenslang vruchtgebruik over de andere helft zal verkrijgen, en dat de langstlevende dan de vrije keuze heeft te bepalen welke goederen in zijn of haar helft zullen vallen die hem of haar in volle eigendom toekomt en over welke goederen zij of hij het vruchtgebruik zal verkrijgen.

De langstlevende echtgenote heeft haar keuzerecht als volgt uitgeoefend: 100 pct. van de banktegoeden en vorderingen in volle eigendom, 100 pct. van de gewone niet-vrijgestelde aandelen in volle eigendom, 92 pct. van de onroerende goederen in volle eigendom en 8 pct. en vruchtgebruik, 100 pct. van de vrijgestelde aandelen in vruchtgebruik.

De appelrechter oordeelde op grond van de clausule in de huwelijksovereenkomst dat de langstlevende echtgenote niet kan worden belast op de waarde van de goederen die zij in volle eigendom heeft gekozen, omdat die goederen in haar eigen helft vallen, doch slechts op de waarde van de goederen die zij in vruchtgebruik heeft gekozen, omdat het vruchtgebruik datgene is wat haar meer is toegekend dan de helft van de gemeenschap, zonder na te gaan in welke mate hetgeen de langstlevende daadwerkelijk heeft verkregen in volle eigendom dan wel in vruchtgebruik in enerzijds de roerende goederen en anderzijds de onroerende goederen meer bedraagt dan de helft van de gemeenschap in zelfde goederen.

Het Hof van Cassatie komt tot de conclusie dat de appelrechter door aldus te oordelen de wetsartikelen 5 Wetboek Successierechten en 48, §1, Tabel I Wetboek Successierechten heeft geschonden.

De zaak wordt doorverwezen naar het Hof van Beroep te Antwerpen.