Belasting

Erfbelasting

Artikel

Artikel 3.6.0.0.1 VCF

Voorwerp betwisting

Foutieve waardering onroerend goed in aangifte nalatenschap – Ambtshalve ontheffing – Nieuwe feiten of bescheiden – Materiële vergissing – Dwaling

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

17/3645/A

Datum uitspraak

23 september 2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Op 24/01/2014 overleed de heer C. De aangifte van nalatenschap werd ingediend en volledig afgehandeld bij het bevoegde registratiekantoor van de FOD Financiën. In de aangifte werd een te verkavelen bouwgrond aangegeven voor 600.000 euro.

Op 07/04/2016 overlijdt de echtgenote mevrouw G. Er wordt door de kinderen een landmeter aangesteld voor de schatting van de onroerende goederen. Uit het verslag van de landmeter blijkt dat de bouwgrond gewijzigd werd naar woonuitbreidingsgebied. Het stuk grond wordt gewaardeerd op 62.460 euro. Het stedenbouwkundig attest dateert van 20/02/2012 dus op het ogenblik van het overlijden van de vader was de grond geen bouwgrond meer.

De notaris dient een aanvraag tot teruggave van de te veel betaalde successierechten bij het overlijden van vader in bij VLABEL op 08/07/2016. Het verzoek tot teruggave werd geweigerd.

De rechter oordeelt dat de ambtshalve ontheffing zoals voorzien in art. 3.6.0.0.1, eerste en tweede lid VCF een uitzonderingsmaatregel betreft. Zij heeft betrekking op gevallen waarin het de belastingplichtige redelijkerwijze niet mogelijk was om binnen de normale bezwaartermijn bezwaar in te dienen, onder meer omdat pas nadien bepaalde documenten of feiten opduiken.

Uit het stedenbouwkundig uittreksel van 20/02/2012 blijkt dat de ruimtelijke bestemming van het perceel vast stond ongeveer twee jaar vóór het overlijden van de heer C zodat dit onmogelijk aanzien kan worden als nieuwe bescheiden of feiten’ overeenkomstig art. 3.6.0.0.1 VCF. Verder stelt de rechtbank vast dat men de bedoeling had om het perceel te waarderen op 600.000 euro zodat dit onmogelijk kan wijzen op een materiële vergissing.

De rechtbank deelt niet de zienswijze van belastingplichtigen dat er sprake zou zijn van een dwaling. Men heeft zich laten bijstaan door een notaris van hun keuze bij de opstelling van de aangifte van nalatenschap. De rechtbank hecht geen geloof aan het feit dat de notaris, die een professionele raadgever is, geen kennis zou hebben gehad of niet in staat zou zijn geweest om kennis te nemen van het stedenbouwkundig uittreksel van 20/02/2012 bij de vaststelling van de correcte waarde van het perceel. Belastingplichtigen dienden op hun beurt te weten, overeenkomstig het principe van de ‘goede huisvader’, dat het perceel wel degelijk gelegen is in een woonuitbreidingsgebied.

De rechtbank is van oordeel dat belastingplichtigen overeenkomstig art. 3.3.1.0.6 VCF de mogelijkheid (zonder dat ze deze hebben benut) hebben gehad om een vergissing of vergetelheid in de aangifte recht te zetten middels een aanvullende of verbeterende aangifte van nalatenschap binnen dezelfde periode van vier maanden waarbinnen de aangifte van nalatenschap moest gebeuren.