Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 2.7.3.4.1, eerste lid, 1° VCF

Voorwerp betwisting

Finaal verrekenbeding bij scheiding van goederen

Rechtbank of Hof

Grondwettelijk Hof

Plaats

Brussel

Rolnummer

6947

Datum uitspraak

10 juli 2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Het Grondwettelijk hof verwerpt het beroep tot vernietiging van de artikelen 15 en 32, eerste lid, van het Vlaamse decreet van 8 december 2017 houdende bepalingen tot verdere regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, diverse fiscale bepalingen, (…). De twee middelen worden ongegrond bevonden.

Het Grondwettelijk Hof blijkt eerst en vooral de ontvankelijkheidsexceptie die namens de Vlaamse Regering werd ontwikkeld te zijn bijgetreden. Volgens het Grondwettelijk Hof heeft het eerste middel enkel betrekking op een verschil in behandeling op het vlak van de belasting van huwelijksvoordelen, naargelang die voordelen buiten dan wel via de huwelijksgemeenschap aan de langstlevende echtgenoot worden toegekend. Volgens het Grondwettelijk Hof hebben de grieven van de verzoekende partijen bovendien uitsluitend betrekking op de fiscale behandeling van finale verrekenbedingen en moet het onderzoek dus enkel tot die huwelijksvoordelen worden beperkt. In de mate dat de verzoekende partijen de draagwijdte van het eerste middel nog probeerden uit te breiden in hun memorie van antwoord tot verblijvingsbedingen en keuzebedingen met last, volgt het Grondwettelijk Hof de redenering van de Vlaamse Regering dat het om een nieuw middel gaat dat niet ontvankelijk is (B.6).

De Vlaamse Regering had daarnaast ook opgeworpen dat het door de verzoekende partijen aangevoerde verschil in behandeling niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit het (niet-gewijzigde) artikel 2.7.1.0.4 VCF. Dat standpunt wordt echter niet door het Grondwettelijk Hof bijgetreden. Volgens het Hof moet de grief van de verzoekende partijen zo worden begrepen dat die is gericht tegen de bestreden bepaling, in zoverre die bepaling niet voorziet in een maatregel die soortgelijk is aan die welke is vervat in artikel 2.7.1.0.4 VCF (B.11.2).

Het Grondwettelijk Hof diende bijgevolg na te gaan of het aangevoerde verschil in behandeling redelijk verantwoord is. Wat dit betreft, oordeelt het Grondwettelijk Hof, samengevat, als volgt:

  • Het criterium van de oorsprong van de goederen die het huwelijksvoordeel uitmaken, zijnde het gemeenschappelijk vermogen dan wel het eigen vermogen van de gehuwden, is een objectief criterium van onderscheid (B.13.1)
  • De doelstellingen die door de decreetgever worden nagestreefd met de bestreden bepaling, met name het streven naar billijkheid en rechtszekerheid, zijn legitiem (B.13.3)
  • De bevoegde wetgever beschikt ter zake over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Dat geldt in casu des te meer omdat de gehuwden de keuze hebben om in hun huwelijkscontract af te wijken van het wettelijke stelsel (B.14.1). Gehuwden moeten worden geacht de gevolgen van hun keuze, m.i.v. de gevolgen voor het erfrecht, te aanvaarden (B.14.3)
  • Aangezien de huwelijksvoordelen die in het stelsel van scheiding van goederen aan de langstlevende echtgenoot worden toegekend via een finaal verrekenbeding, hun oorsprong hebben in het eigen vermogen van de overleden echtgenoot, kon de decreetgever van oordeel zijn dat in dat geval niet diende te worden voorzien in een regel zoals die welke is vervat in artikel 2.7.1.0.4 VCF (B.15.2)
  • De bestreden regeling heeft ook geen onevenredige gevolgen, want zij doet geen afbreuk aan de burgerrechtelijke gevolgen van een beding opgenomen in een huwelijksovereenkomst (B.15.3).

Op basis van die redenering komt het Grondwettelijk Hof tot het besluit dat het verschil in behandeling op het vlak van de belasting van huwelijksvoordelen redelijk verantwoord is.
 
Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, bevestigt het Grondwettelijk Hof dat het nieuwe artikel 2.7.3.4.1, eerste lid, 1°, VCF geen antimisbruikbepaling is, maar een bepaling die de belastbare grondslag van de erfbelasting bepaalt. Bijgevolg is het volgens het Grondwettelijk Hof redelijk verantwoord dat de decreetgever geen onderscheid heeft gemaakt tussen belastingplichtigen, naargelang zij de waarachtigheid van een in een huwelijksovereenkomst opgenomen beding al dan niet kunnen aantonen (B.19).
 
Tot slot, wat het tweede middel betreft, oordeelt het Grondwettelijk Hof eerst en vooral dat de bestreden bepaling geen terugwerkende kracht heeft (B.23). Volgens het Grondwettelijk Hof mocht de decreetgever er ook van uitgaan dat niet diende te worden voorzien in een overgangsbepaling, aangezien “wetskrachtige bepalingen die de heffingsgrondslag van een belasting definiëren, kunnen[…] te allen tijde geheel of gedeeltelijk [kunnen] worden gewijzigd, zodat de rechtsonderhorigen er niet wettig op kunnen vertrouwen dat die bepalingen in de toekomst ongewijzigd behouden blijven” (B.26).