Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 60bis W. Succ., 3.6.0.0.1. VCF

Voorwerp betwisting

Familiale onderneming: geen vrijstelling van erfbelasting voor kantoorgebouw dat niet in afzonderlijke rubriek van aangifte vermeld werd - geen materiële vergissing

Rechtbank of Hof

Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen

Plaats

Afdeling Gent

Rolnummer

18/435/A

Datum uitspraak

29 januari 2019

Status

Definitief

 

Familiale onderneming ((oud) art. 60bis W. Succ.): geen vrijstelling van erfbelasting voor kantoorgebouw dat niet in afzonderlijke rubriek van aangifte vermeld werd - geen materiële vergissing

 

Samenvatting

Op 7 maart 2012 reikte VLABEL een attest uit inzake tewerkstelling en kapitaal voor familiale ondernemingen en familiale vennootschappen teneinde vrijstelling van successierechten te bekomen met betrekking tot een notariskantoor. In dit attest wordt bevestigd dat de familiale onderneming aan alle voorwaarden van (oud) artikel 60bis W. Succ. voldoet om een integrale vrijstelling van successierechten te bekomen voor de activa in de familiale onderneming notariskantoor.

Op 25 maart 2012 werd de aangifte van nalatenschap ingediend. In de aangifte werd onder de afzonderlijke rubriek "10. Artikel 60bis W. Succ." om de toepassing van (oud) artikel 60bis W. Succ. gevraagd voor de nettowaarde van alle onroerende en roerende bestanddelen van de familiale onderneming. Voormeld attest van 7 maart 2012 werd bijgevoegd. Het onroerend goed waarin het notariskantoor werd uitgeoefend werd tevens opgenomen onder de gemeenschappelijke activa in de aangifte van nalatenschap, ingevolge uitoefening door belastingplichtige van het beding van vooruitmaking opgenomen in de huwelijksovereenkomst van 11 april 2005.

Op 5 mei 2015 werd aan belastingplichtige een aanslagbiljet in de erfbelasting voor aanslagjaar 2014 verstuurd. Het onroerend goed waarin het notariskantoor werd uitgeoefend, werd opgenomen onder de belastbare actiefbestanddelen en hierop waren successierechten verschuldigd. De belastingplichtige verzocht om de teruggave van de volgens haar teveel betaalde successierechten. VLABEL weigerde dit, stellende dat artikel 60bis W. Succ. enkel van toepassing is indien de activa in een afzonderlijke rubriek van de aangifte van nalatenschap worden opgenomen. Dit zou voor het kantoorgebouw niet het geval zijn geweest, als gevolg waarvan de vrijstelling werd geweigerd.

Wat betreft de voorwaarden van art. 60bis W. Succ. stelt de rechtbank in haar vonnis dat dit artikel de vererving van familiale ondernemingen aan een aantal voorwaarden verbond, waaronder:

"§10. Op straffe van verval is artikel 60bis slechts toepasselijk voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:

1 ° in de aangifte wordt uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60bis verzocht;

2° het door het Vlaamse Gewest uitgereikte attest waaruit blijkt dat aan de door dit artikel gestelde voorwaarden, op het vlak van tewerkstelling en kapitaal, is voldaan, is bij de aangifte gevoegd.

(. ..)

3° in de aangifte wordt in een afzonderlijke rubriek vermeld voor welke activa of aandelen de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd."

De rechtbank stelt vast dat belastingplichtige in de aangifte niet heeft vermeld dat de toepassing van artikel 60bis W. Succ. werd gevraagd voor het kantoorgebouw. Aldus werd voor het kantoorgebouw niet voldaan aan de voorwaarde opgenomen in artikel 60bis, §10, 3° W. Succ. Aan de voorwaarde opgenomen in artikel 60bis, §10, 1° W. Succ. is wel voldaan; de toepassing van artikel 60bis op het notariaat werd uitdrukkelijk gevraagd in de aangifte.

Deze derde voorwaarde dient volgens de rechtbank te worden gelezen samen met het principe dat de aangifte van nalatenschap een definitieve heffingstitel uitmaakt. De vrijstelling moet in de aangifte worden gevraagd, en daarbij moet in de aangifte duidelijk worden aangegeven voor welke activa de toepassing van de vrijstelling wordt gevraagd. Teneinde discussies te vermijden omtrent de samenstelling van de familiale onderneming, dient de aangifte de specifieke activa te vermelden waarvoor de toepassing van artikel 60bis wordt gevraagd. Zoniet had de wetgever zich kunnen beperken tot de eerste voorwaarde (opgenomen in artikel 60bis, §10, 1° W. Succ.). Het algemene verzoek tot toepassing van artikel 60bis W. Succ. op het 'notariaat', zonder vermelding van de specifieke activa waarvoor de toepassing van dit artikel wordt gevraagd, laat niet toe om ervan uit te gaan dat de vrijstelling ook wordt gevraagd voor het onroerend goed waarin het notariaat wordt uitgeoefend.

De belastingplichtige stelt dat er sprake is van een materiële vergissing in die zin dat het kantoorgebouw per vergissing en uit onachtzaamheid zowel opgenomen werd onder het actief van het gemeenschappelijk vermogen als onder de afzonderlijke rubriek "10. Artikel 60bis W. Succ.".

Een materiële vergissing in de zin van artikel 3.6.0.0.1 VCF is een feitelijke vergissing, begaan als gevolg van een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens, bij ontstentenis waarvan de belasting wettelijke grondslag mist. Een materiële vergissing beoogt een dwaling nopens materiële elementen en staat tegenover de rechtsdwaling die een onjuiste beoordeling veronderstelt van de fiscale wet of een verkeerde toepassing ervan. Het moet gaan om een rekenfout, een schrijffout of een andere grove vergissing die het gevolg is van een onoplettendheid, van een verstrooidheid of van een onvrijwillige vergetelheid en die onafhankelijk is van de juridische beoordeling van de belasting of van de vaststelling van de belastbare basis (zie ook Gent 16 december 2014, 2013/AR/3180, samengevat in LRB 2014, afl. 4, 71). Artikel 3.6.0.0.1 VCF vereist een strikte toepassing en staat de ontheffing enkel toe in de gevallen die er uitdrukkelijk in worden voorzien.

De rechtbank is van oordeel dat belastingplichtige niet aantoont dat zij terzake een materiële vergissing heeft begaan. Waar belastingplichtige stelt dat het kantoorgebouw zowel werd opgenomen onder het actief van het gemeenschappelijk vermogen als onder de afzonderlijke rubriek "10. Artikel 60bis W. Succ.”, blijkt dit, zoals hierboven geoordeeld, niet uit de aangifte. In de afzonderlijke rubriek 10. van de aangifte, waarin uitdrukkelijk om de toepassing van artikel 60bis werd verzocht, werd op geen enkele wijze melding gemaakt van de eigendom van het kantoorgebouw. Integendeel, in de oplijsting van activa die gemaakt wordt, werd enkel het recht op gebruik van de ruimten waarin de familiale onderneming wordt uitgebaat, vermeld. Ook uit het schattingsverslag van de familiale onderneming, waarnaar specifiek werd verwezen in de aangifte, blijkt niet dat het kantoorgebouw deel uitmaakt van de familiale onderneming. Uit de door belastingplichtige ingediende aangifte blijkt enkel dat het kantoorgebouw deel uitmaakte van het gemeenschappelijk vermogen van de belastingplichtige en wijlen de erflater.

De belastingplichtige toont bovendien niet aan dat zij het kantoorgebouw per vergissing heeft opgenomen onder de gemeenschappelijke (belastbare) activa. Zij heeft immers het kantoorgebouw niet vermeld in de afzonderlijke rubriek waarin om de vrijstelling werd verzocht. Een dwaling omtrent (de toepassingsvoorwaarden opgenomen in) de wet of juridische onwetendheid kwalificeert niet als een materiële vergissing.

 

Commentaar

De rechtbank stelt in dit vonnis duidelijk dat de vrijstelling voor een familiale onderneming in de aangifte moet worden gevraagd, en daarbij moet in de aangifte duidelijk worden aangegeven voor welke specifieke activa de toepassing van de vrijstelling wordt gevraagd teneinde discussies te vermijden omtrent de samenstelling van de familiale onderneming.

Daarnaast is de rechtbank ondubbelzinnig over wat onder een ‘materiële vergissing’ in de zin van artikel 3.6.0.0.1 VCF moet worden verstaan. Een materiële vergissing in de zin van artikel 3.6.0.0.1 VCF is een feitelijke vergissing, begaan als gevolg van een misvatting omtrent het bestaan van materiële gegevens, bij ontstentenis waarvan de belasting wettelijke grondslag mist. Een materiële vergissing beoogt een dwaling nopens materiële elementen en staat tegenover de rechtsdwaling die een onjuiste beoordeling veronderstelt van de fiscale wet of een verkeerde toepassing ervan. Het moet gaan om een rekenfout, een schrijffout of een andere grove vergissing die het gevolg is van een onoplettendheid, van een verstrooidheid of van een onvrijwillige vergetelheid en die onafhankelijk is van de juridische beoordeling van de belasting of van de vaststelling van de belastbare basis.