Belasting

Erfbelasting

Artikel

Art. 108 Wb. Succ. (thans art. 2.7.3.2.5 VCF); Art. 105 W. Succ (thans 3.17.0.0.1 VCF)

Voorwerp betwisting

Impact heling op de erfbelasting

Verschil tussen vermoedens van 2.7.3.2.5 (voorheen artikel 108 W. Succ.)  en 3.17.0.0.1 VCF (voorheen artikel 105 W. Succ.)

Afwijzing prejudiciële vraag artikel 2.7.3.2.5 VCF

 

Rechtbank of Hof

Hof  van Beroep

Plaats

Antwerpen

Rolnummer

2017/AR/1501

Datum uitspraak

15/01/2019

Status

Definitief

 

Samenvatting

Erflater was met scheiding van goederen gehuwd met de langstlevende echtgenote en had naast zijn echtgenote als wettige en reservataire erfgenamen zijn kleindochters belastingplichtige A en B – dochters van zijn vooroverleden zoon (die uit de echt was gescheiden van Z). Erflater had een testament opgemaakt.

Op 29 maart 1996 overlijdt erflater. Een aangifte van nalatenschap werd ingediend op 19 oktober 1998.

Op basis van een klacht van kleindochter B bij de Bijzondere Belastinginspectie werd door de Fod Financiën een bankonderzoek uitgevoerd.

Op 10 augustus 2004 overlijdt de langstlevende echtgenote. Erfgenamen zijn de kleindochters belastingplichtige A en B en de achterkleinkinderen belastingplichtige C en D (kinderen van belastingplichtige A) en achterkleinkinderen E en F (kinderen van B).

Gebruik maken van de resultaten van het bankonderzoek wordt een dwangschrift uitgevaardigd op 26 juni 2006 inzake de nalatenschap van erflater waarbij successierechten en een boete werden gevorderd van belastingplichtige A in eigen naam en als rechtsopvolger van langstlevende echtgenote, belastingplichtige B in eigen naam en als rechtsopvolger van de langstlevende echtgenote en van beide kleindochters en echtgenoten in naam van wettelijke vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen (zijnde CDEF).

Dit wegens toepassing van :

  • artikel 105 W. Succ. (thans 3.17.0.0.1 VCF) voor uitbetaling van een reeks van coupons van effecten bij Bank X en de uitbetaling door Bank Y van coupons.
  • artikel 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) voor inschrijving op en aankopen van een aantal effecten in de periode van drie jaar voor het overlijden bij Bank Y

Ondertussen werd er een klacht met burgerlijke partijstelling door curator (Z) over de onbekwaam verklaarde B (n.a.v. veroordeling door het Hof van Assisen) ingediend die leidde tot een beschikking waarbij de ten laste gelegde feiten van valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken/heling/… bewezen werd in hoofde van belastingplichtige A en diens echtgenote.

B dagvaardde belastingplichtige A voor de rechtbank met vraag om toepassing van heling (artikel 792 Burgerlijk Wetboek). Volgens B waren er namelijk een aantal belangrijke actiefbestanddelen die toebehoren aan de nalatenschap van de erflater verduisterd en werd het bestaan van deze goederen verzwegen bij het opmaken van de inventaris van diens nalatenschap.

Dit leidde op 4 september 2009 tot een uitspraak waarbij belastingplichtige A werd veroordeeld tot teruggave aan B van een bedrag van 371.840,29 EUR (zijnde de helft van de tegenwaarde van de kasbons en effecten die zich in de kluis van het echtpaar X en de langstlevende bevonden, en verkocht werden). Het arrest dd. 25 maart 2013 bevestigde de uitspraak in eerste aanleg.

Wat betreft de fiscale procedure legden belastingplichtige A (kleindochter), belastingplichtige C en D (kinderen van belastingplichtige A) een verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen gezien zij verzet aantekenden tegen het dwangschrift van 26 juni 2006 en de navolgende dwangbevelen.

De betwisting omtrent artikel 108 W.Suc. (thans 2.7.3.2.5 VCF) gaat enkel over de effecten die blijken uit het bankonderzoek en de boete.

Belastingplichtigen stellen dat artikel 108 W.Succ (thans 2.7.3.2.5 VCF) niet verenigbaar is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel en met het eigendomsrecht.

Ze verwijzen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof van 22/02/2018 dat art. 70 W. Succ (thans 3.10.4.3.1 VCF) samen gelezen met art. 7 W. Succ. strijdig achtte met het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht.

Het Hof van Beroep oordeelt dat de vergelijking van dit geschil met datgene behandeld in het arrest van het Grondwettelijk Hof niet opgaat.

  • Ten eerste betreft art. 108 W.Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) een bewijsmiddel, en met name een weerlegbaar vermoeden daar waar artikel 70 W. Succ. een aansprakelijkheid tot betaling van erfrechten betreft.
  • Ten tweede heeft de toepassing van art. 108 W.Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) niet tot gevolg dat men successierechten moet betalen op goederen die men niet verkregen heeft, of geacht wordt te hebben verkregen. Door de toepassing van dit vermoeden groeit het actief van de nalatenschap aan, waardoor het erfdeel van de erfgenamen verhoudingsgewijs toeneemt. Men betaalt derhalve ingevolge de toepassing van artikel 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) erfrechten op hetgeen men zelf ontving of geacht wordt te hebben ontvangen uit de nalatenschap van erflater, daar waar de toepassing van artikel 70 W.Succ. (thans 3.10.4.3.1 VCF) tot gevolg heeft dat men successierechten moet betalen op hetgeen aan derden werd nagelaten of geschonken
  • Ten derde stellen belastingplichtigen ten onrechte dat er ingevolge de aanpassing van art. 3.10.4.3.1 VCF als gevolg van het arrest een discriminatie zou zijn ontstaan tussen zij die tot de nalatenschap komen samen met personen die binnen de drie jaar voor het overlijden schenkingen ontvingen van de erflater en zij die tot een nalatenschap komen waarop het vermoeden van art. 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) wordt toegepast. De eerste groep kan sinds de wetswijziging inderdaad niet langer gehouden worden tot betaling van erfbelastingen op goederen die binnen de drie jaar voor het overlijden aan derden werden weggeschonken doch dat belet niet dat deze groep we nog kan aangesproken worden op grond van art. 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF). De aanpassing van de VCF sluit de toepassing van art. 108 W. Succ. m.a.w. niet uit.

Wat betreft de sommen zelf werpen belastingplichtigen op dat de effecten overeenkomstig art. 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) aan het actief van de nalatenschap werden gevoegd minstens voor een deel toebehoorden aan de langstlevende gelet op de vermenging van de vermogen van erflater en diens echtgenote. Het hof stelt dat er geen sprake is van vermenging, tenzij voor 1 type belegging waarbij belastingplichtigen in fase beroep bewijzen voorleggen dat de inschrijving op die effecten gefinancierd werden met gelden voorheen genomen van gemeenschappelijke rekeningen van erflater en langstlevende. Dit werd door het hof aanvaard zodat slechts met de helft van dit bedrag dient te worden rekening gehouden.

Belastingplichtigen stellen in hoger beroep dat de door het Vlaams Gewest in aanmerking genomen effecten in het kader van artikel 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) dezelfde zouden zijn als diegene waarop (ten belope van de helft) de sanctie van burgerlijke heling werd toegepast en deze zodoende dienen te worden verrekend met diegene waartoe de hangende de procedure ingediende successieaangifte aanleiding zal geven zodat op dezelfde effecten hoogstens éénmaal erfbelasting wordt geheven.

Het hof stelt dat niet wordt aangetoond dat de effecten die het voorwerp uitmaakten van de procedure in toepassing van art. 792 van het Burgerlijk Wetboek en de effecten die blijken uit het bankonderzoek van de fiscale administratie bij Bank Y dezelfde waren. Het is dan ook terecht dat er niet kan worden aangenomen dat het vermoeden van art. 108 W. Succ. (thans 2.7.3.2.5 VCF) slechts geldt voor de helft van de saldo van de effecten vermeld in het dwangschrift.

Wat betreft de geldboetes blijven deze verschuldigd behalve deze die verschuldigd was in hoofde van de langstlevende echtgenote. Deze kan niet worden ingevorderd lastens haar erfgenamen.

Voor wat de toepassing van artikel 105 W.Succ. (thans 3.17.0.0.1 VCF) bevestigt het Hof van Beroep het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg dat de coupons werden betaald op rekeningen waarmee de aankopen werden verricht waarop artikel 108 W. Succ. reeds werd toegepast. De uitbetaling van coupons door de Bank Y zoals vermeld in het dwangschrift onder verwijzing naar artikel 105 W. Succ. (thans 3.17.0.0.1 VCF) en artikel 2279 Burgerlijk Wetboek werd onterecht aan het actief had gevoegd zodat deze geen aanleiding konden geven tot het vestigen van successierechten.